Hoofdstuk 1 par.1

Introductie

Geld, je loopt naar het kastje in de muur en je trekt er geld uit.
Komt er een keer geen geld uit, dan pak je je creditcard. Nog steeds te
weinig, dan loop je de bank binnen om een persoonlijke lening te nemen,
net zo makkelijk. Steeds minder mensen sparen voor iets, we zijn
ongeduldig en willen het nu. Uit cijfers van het
Centraal Bureau voor de Statistiek
(CBS) blijkt dat steeds meer
mensen schulden krijgen en ook steeds meer mensen daardoor in de
problemen komen. Wat betekent geld voor jou? En hoe ga je ermee om?

Directe en indirecte ruil
Vroeger gebruikte men geen geld. Dat bestond nog niet. Hoe kon je
dan een paard kopen. Een paard stond gelijk aan 2 koeien, dan moest je
dus ruilen. Om wat dichter bij de werkelijkheid te komen nemen we niet
vroeger als voorbeeld. In veel arme landen is nog steeds sprake van
ruilhandel.
Als je een ezel wil, dan moet je er wat tegen ruilen,
misschien een paar goede schoenen, of je kippen? Het blijft lastig, want
wat als je niks te ruilen hebt? Er is in deze gevallen sprake van
directe ruil
een koe voor een paard. Na de uitvinding van geld kwam er iets tussen die ruil. Ik hoef niet per se iemand te zoeken die mijn koe wil ruilen voor een paard. Ik verkoop
gewoon mijn koe, krijg daar geld voor en gebruik dat geld om een paard
te kopen. Hier is sprake van indirecte ruil.

Ruilmiddel, oppotmiddel, rekenmiddel,
betaalmiddel

Waar kan je geld allemaal voor gebruiken. Op het moment dat je een
broodje koopt is het een ruilmiddel. Geld voor een broodje. Als
je het op de bank zet voor later gebruik je het als oppotmiddel.
Ben je aan het rekenen of je met je spaargeld die nieuwe scooter kan
kopen, dan gebruik je het als rekenmiddel. Moet je een bekeuring
betalen voor rijden door rood. Dan gebruik je het geld als
betaalmiddel
, er staat namelijk niks tegenover dus is het geen ruil.

Giraal en Chartaal geld
Alle euro munten en bankbiljetten die in omloop zijn noemen we het
chartale geld (zichtbare geld). De tegoeden die bij banken op
rekeningen staan noemen we giraal geld. Het totaal van chartaal
en giraal geld is de totale geldhoeveelheid. Euromunten en biljetten
worden in omloop gebracht door De Nederlandse Bank (DNB). Deze
bank wordt in de gaten gehouden door de ECB (Europese Centrale
Bank
). Binnen de EU zijn alleen euro munten en biljetten wettige
betaalmiddelen
, alle overige betaalmiddelen (pinpas, chip,
creditcard, overschijving, vreemde valuta) zijn onwettig en mogen
geweigerd worden.

Vormen van betalen
Pinnen: na het intoetsen van een pincode kan geld opgenomen
worden of betaalt worden in een winkel
Chip: zonder pincode kunnen kleinere bedragen betaalt worden
Creditcard: na het zetten van een handtekening kan er betaalt
worden, ook al staat er geen geld op je rekening. Betalen met een
creditcard is een vorm van lenen. Een maand later wordt het
afgeschreven. De rente op creditcards is hoog. (over enkele jaren moet
er ook voor credicard een pincode gebruikt worden.
Telebankieren: met behulp van de computer (of mobiel) beheer
je je geld. (Mijn Postbank.nl bijvoorbeeld)
Acceptgiro: een formulier waar je na je handtekening gezet te
hebben toestemming geeft het bedrag over te schrijven naar de ander
Overschrijvingskaart: zelfde als acceptgiro, alleen moet je
deze zelf nog helemaal invullen
Automatische incasso: je geeft een bedrijf toestemming
om bijvoorbeeld maandelijks een bedrag van je rekening te halen.

Vreemde valuta
zie
powerpoint presentatie


Goed om te maken: blz 28 1 t/m 5

Examenonderdeel? JA

Hoofdstuk 1 par.2

Introductie
Sparen, je geld naar de bank brengen, klinkt makkelijk, dat is het ook. Er zijn echter een paar manieren om geld te sparen. Wil je er elk moment over kunnen beschikken of kan heb je het de komende jaren niet nodig. Met jouow spaargeld kan de bank iemand anders weer geld lenen. Ze geven jou 4% rente als bedankje en vragen van iemand die een lening neemt 6%. Zo verdienen ze dus 2%. Een bank wil graag dat jij zo lang mogelijk je geld op de spaarrekening zet. Des te langer, des te hoger de rente, als bedankje. Welke mogelijkheden zijn er?

Banken bedenken de meest rare reclames en kado's om je te laten sparen.

Spaarmotieven
Sparen doe je niet voor niks. Het kan zijn dat je voor een scooter spaart (sparen voor een doel), of dat je alvast voor later aan het sparen ben. Misschien spaar je wel om te voorkomen dat je ooit in geldproblemen komt (sparen uit voorzorg). Misschien vind je het wel leuk om elk jaar 50 euor rente te krijgen (sparen voor de rente). Deze drie keuzes noemen we spaarmotieven. Een motief kan je vertalen als 'reden' dus een reden om te sparen.

Rente
Rente heeft twee kanten. Als je geld spaart krijg je rente. Als je geld leent betaal je rente. Bij lenen is de rente hoger dan bij sparen. Het verschil is winst voor de bank. Des te langer je je geld vastzet des te meer rente krijg je, de bank weet namelijk zeker dat ze bijvoorbeeld 5 jaar over jouw geld kunnen beschikken. Bij lenen is het zo dat des te korter je het geld wil lenen des te meer rente betaal je. Korte looptijd hoge rente, lange looptijd lage rente. In die korte tijd dat je geld leent, wil de bank zo veel mogelijk aan je verdienen.

Kapitaalrekening
Een kapitaalrekening is een spaarrekening voor hogere bedragen. Meestal vanaf 5000 euro. Omdat je in één keer veel spaargeld inlegt, krijg je meer rente.

Spaardeposito
Heb je echt een flink bedrag weg te zetten, meer dan 15.000 dan is een spaardeposito een idee. Je spreekt dan met de bank af dat je bijvoorbeeld 10 jaar het geld laat staan. Je kan dan ook echt niet aan het geld komen. De bank weet dus zeker dat ze 6 jaar lang 15.000 euro tot hun beschikking hebben. In ruil daarvoor krijg je een fikse rente. De rente die je krijgt mag je wel elk jaar opnemen van je rekening. Zo'n rekening heet spaardeposito.

Boeterente en opnamevrijheid
Als iemand al zijn spaargeld wil opnemen van zijn kapitaalrekening, zeg 50.000, dan moet hij vooraf aan de bank melden. In tegenstelling tot in films, hebben banken om veiligheidsredenen maar weinig geld in huis. Als ze in één keer 50.000 kwijt zijn kunnen ze in de problemen komen. Daarom willen ze het vooraf weten. Meestal moet je dat een maand van tevoren opgeven. Stel dat je dat vergeet, dan heeft een bank het geld wel voor je, maar ze rekenen dan een boeterente.

Stel dat er staat dat je vanaf 50.000 het een maand vooraf moet melden en je neemt 60.000 op. Dan moet je over het bedrag wat je teveel opneemt (60.000-50.000=10.000) een boete betalen van 1% over 10.000. Neem je precies 50.000 op, dan betaal je geen boete. Tot 50.000 euro hen je opnamevrijheid.

goed om te maken:
blz :14, 16, 17, 19, 20, 22

examenonderdeel: JA, je moet weten hoe het werkt met rente. De soorten rekeningen en boeterente zijn geen examenonderdeel.

Hoofdstuk 1 par.4

Introductie
Wat doe je met je geld. Je zal allemaal weleens meemaken dat je op een moment denk: 'shit, geen geld meer!' Op jouw jonge leeftijd is dat nog niet zo'n ramp, als je wat ouder wordt is het wel belangrijk om je geldzaken goed geregeld te hebben. Hoe hou je het overzicht?

Budgetteren
Als je gaat proberen om je inkomsten en je uitgaven in evenwicht te brengen dan ben je aan het budgetteren. Waar moet je geld aan uitgeven, hoeveel hou je over, wat kan je laten zitten enz.

Begroting
Veel mensen maken van tijd tot tijd een begroting. Ze maken een overzicht van de verwachte inkomsten en verwachte uitgaven. Als ze geld overhouden dan is het goed om dat weg te leggen (reserveren) want de maand erna kan je weleen geld tekort hebben.

Dagelijkse uitgaven, vaste lasten en incidentele uitgaven
We delen uitgaven in in drie delen.

1. dagelijkste uitgaven: komen dagelijks of wekelijks terug zoals boodschappen, zakgeld, uitgaan.

2. vaste lasten: kosten die met regelmaat terugkomen zoals elke maand of elk jaar. De rekening voor gas, water en licht (elke maand). Of de verzekering van je auto (elk jaar). De telefoonrekening (elke twee maanden.)

3. Incidentele uitgaven: komen soms voor en zijn vaak grote bedragen. Je geeft het ook niet zomaar uit, maar je denkt erover na en zoekt informatie erover. Denk aan een auto, wasmachine. Soms heb je dit geld ook niet zo 123, en moet je er vooraf al voor gaan sparen. Ook wel reserveren genoemd.

Huursubsidie:
Mensen die een huis huren hebben een nadeel op mensen met een koophuis, namelijk dat ze geen 'eigen huis' hebben. Om die mensen tegemoet te komen krijgen ze van de overheid subsidie. Dit kunnen ze aftrekken van hun huurbedrag.

JAHAAAAAAAAAAAAA hier staat de proef proeft toets van periode 1, nou goed?

Goed om te maken

blz 32: 16 t/m 20




Hoofdstuk 1 par.3

Introductie
We hebben het gehad over sparen. Nu de andere kant van het verhaal. Banken gebruiken jouw spaargeld om het uit te lenen aan mensen, maar zeker ook bedrijven die geld nodig hebben. Ze willen maar al te graag dat je leent, want dat betekent winst voor de bank.

Consumptief krediet
Als je een lening afsluit om een auto, scooter, bankstel enz van te kopen dan heet dit een consumptief krediet. Het krediet (lening) consumeer je (gebruik je).

Doorlopend krediet
Afhankelijk van je inkomen (je moet het wel terug kunnen betalen) spreek je met de bank een bedrag af dat je mag lenen. Stel dat je 5000 leent. Je betaalt in de loop van de tijd eens 2000 terug. Je schuld is dan nog maar 3000. Nu heb je opeens weer die 2000 euro nodig. Mag je die nu weer opnemen? Ja, bij een doorlopend kredit mag dat. Het heet niet voor niets doorlopend. Wat je aflost, mag je ook weer opnemen. Rood staan lijkt er op een doorlopend krediet.

Persoonlijke lening (PL)
Dit is hetzelfde als een doorlopend krediet alleen mag je hier wat je aflost niet weer opnemen. Daarom mag je bij een PL meer lenen dan bij een doorlopend krediet. Er zijn veel reclames voor persoonlijke leningen. Denk aan postkrediet, lenen.nl, Frisia. Er zit altijd wel een addertje onder het gras.

Kopen op afbetaling
Je koopt een wasmachine bij wehkamp en besluit om in plaats van in één keer 300 euro te betalen maar dit in tien keer te betalen. Je moet wel rente betalen. Let op! De rente kunnen oplopen tot meer dan 20%, dat betekent dat als je na een jaar die wasmachine hebt terug betaalt je uiteindelijk 360 euro kwijt bent voor de wasmachine! Bij kopen op afbetaling ben je wel eigenaar van het apparaat ook al heb je hem nog niet terugbetaalt.

Huurkoop
Het zelfde als kopen op afbetaling, alleen ben je hier pas eigenaar als alles terugbetaalt is.

Hypotheek
Een hele veilige lening, die heel veel mensen hebben. Als je een huis wil kopen van 200.000 euro moet je wel heel lang sparen. 200.000 euro lenen doen de meeste banken niet. Want het risico dat jij het niet terug kan betalen is vrij groot. Als je op dat laatste iets bedenkt ben je klaar. Wat als je nou afspreekt dat als je het niet terug kan betalen de bank jouw huis mag verkopen om op die manier het geld terug te krijgen? Dit is precies wat er gebeurd als je een hypotheek afsluit. De bank heeft jouw huis als onderpand. Kan je niet betalen dan heeft de bank de zekerheid dat ze het geld kunnen krijgen door je huis te verkopen. Je kan dus niet veel meer lenen dan dat je huis waard is. De rente is vaak laag omdat je heel lang doet over het terugbetalen, meestal zo'n 30 jaar.

Kan ik ook een dure auto als onderpand geven? nee, alleen een onroerend goed zoals huizen en grond kan je als onderpand gebruiken voor een hypotheek.

Recht van hypotheek
Het recht dat de bank krijgt om je huis te verkopen als je niet aan je betalingsverplichting voldoet.

Kredietkosten
Kredietkosten is een ander woord voor rente. Als iemand 5000 geleend heeft en 7000 heeft terugbetaalt dat heeft hij dus 2000 euro aan kredietkosten (rente) betaalt.

Aflossen
Behalve rente moet je ook de lening terugbetalen. Meestal betaal je per maand een bedrag terug. Dit bedrag (dus niet de rente!!!) heet de aflossing.

Bureau Krediet Registratie (Het BKR in Tiel)
Stel dat je 40.000 euro wil lenen en de bank wil je maar 20.000 geven. Dan sluit je toch bij een andere bank nog een lening af van 20.000. Dit lukt je meestal niet. Als je een lening hebt wordt dat geregisteerd bij het BKR in Tiel. Of je nou een wasmachine op afbetaling hebt gekocht of een hypotheek voor een huis. Het is genoteerd. Een andere bank zal dus altijd controleren of je niet al teveel leningen hebt. De kans dat je niet meer terug kan betalen is anders te groot.

Klik hier voor meer informatie over de (nadelen) van lenen

PS: let goed op met lenen, het lijkt zo simpel, maar kan voor veel problemen zorgen. Het is beter geduld te hebben en die 300 euro te sparen in plaats van te lenen. Als je het kan terugbetalen kan je het ook bij elkaar sparen. Dit geldt niet voor een hypotheek, dit is erg veilig.

PS 2: Leningen bij Frisia, Lenen.nl en Postkrediet lijken heel goedkoop, besef wel dat je bij deze leningen je huis als onderpand geeft en dus moeilijk aan een hypotheek kan komen. Ook zit je vaak een jaar of 20 aan een zo'n lening vast. Je betaalt elke maand maar 20 euro, maar wel tien jaar lang. Mijn advies, maak géén gebruik van dit soort leningen, ga altijd naar een bekende bank voor advies.

Goed om te maken:
blz 16: 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30,31, 32

examenonderdeel: Nee, wel basiskennis die je moet beheersen.

Hoofdstuk 2 par.1

Introductie


Paul heeft een IPOD gekocht. Na 13 maanden stopt hij er opeens mee. De winkel waar Paul hem gekocht heeft zegt: "sorry meneer, garantie is voorbij". Wat nu? Heeft de winkelier gelijk?

De onzin van garantie

Garantie. Natuurlijk het is makkelijk dat je binnen een jaar gewoon zonder probleem terug kan gaan. Maar ook daarna heb je het recht om voor een kapot product (buiten jouw schuld om) een vergoeding of reparatie te krijgen. Is het normaal dat een IPOD na een jaar kapot gaat? Nee! Dus zal er wel wat aan de hand zijn. Het zou op zijn minst redelijk zijn als de winkelier had gezegd ik repareer hem en de kosten delen we (je hebt hem tenslotte al een jaar gebruikt). Of je een nieuwe geeft. Een wasmachine gaat zeker 5 jaar mee, als die na 3 jaar kapot gaat is de winkelier je verplicht een redelijk voorstel te doen, met korting een nieuwe of een reparatie waarbij de kosten gedeeld worden. Je mag namelijk niet verwachten dat een wasmachina na 3 jaar kapot gaat.

Een beetje bedrijf geeft levenslange garantie, zoals Giant doet op zijn frames, waarom? Omdat ze daarmee laten zien dat ze een kwaliteitsproduct hebben. Laat je niet te snel afschepen met het excuus "sorry, geen garantie meer".

Consumentenorganisaties
Een aantal instanties houdt zich bezig met het helpen/beschermen van de consument. De ANWB doet dat door producten te testen of te helpen bij problemen. De consumentenbond doet dat door op te komen voor consumenten en door producten te testen. De Vereniging Eigen Huis komt op voor mensen die een eigen huis hebben. De consumentenbond is vooral bekend van de vergelijkende warenonderzoeken. Kijk hier voor een voorbeeld van zo'n test.

Warenwet
In de warenwet staan allerlei regels waaraan producten moeten voldoen. De ingredienten moeten op de verpakking staan bij levensmiddelen. Maar ook aan kinderspeelgoed en cosmetica zijn regels verbonden. Heb je een klacht over een product omdat je denkt dat het niet voldoet aan de waren wet dan kan je dit melden bijde Voedsel en warenautoriteit.
De warenwet is onderdeel van het burgelijk wetboek.

Wet Consumentenkoop
Hierin staat dat een door jou gekocht product een redelijke tijd mee moet gaan, bij normaal gebruik uiteraard. Ook als het in de uitverkoop is of als de garantie verlopen is. Heb je daarover problemen met de leverancier dan kan je naar de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken.

Wet Productaansprakelijkheid
Een product wat kapot is kan leiden tot schade aan andere producten of aan personen. Hiervoor is niet de winkelier maar de fabrikant aansprakelijk. De regels hierover staan in de wet productaansprakelijkheid

Consumentenrecht
Alle wetten en regels die de consumente moeten beschermen tegen kapotte, gevaarlijke, misleidende enzovoorts producten staan noemt men het consumentenrecht.


Goed om te maken: blz 60, 2 t/m 5

examenonderdeel: NEE, wel basiskennis

Hoofdstuk 2 par.2

Introductie
Wanneer heb je een koopovereenkomst? Wanneer ben je eigenaar? Wanneer mag je officieel iets kopen?

Koopovereenkomst
Als koper en verkoper het eens zijn geworden over de prijs en het product is er een koopovereenkomst. Daaruit komen wel wat rechten en plichten voor beide partijen:
De koper:
- heeft het recht een deugelijk (goed) product te ontvangen
- is verplicht het product in ontvangst te nemen
- moet het product betalen
De verkoper
- heeft recht op betaling
- moet de producten vrijwaren dus hij moet er voor instaan dat het product geen verborgen gebreken heeft. Ook moet een ander geen aanspraak kunnen maken op het product onder het motto, hé dat is mijn fiets.

De koopovereenkomst hoeft niet schriftelijk, mondeling is ook geldig voor de wet. Het is om verwarring te voorkomen wel beter om het schriftelijk (brief, fax, email) te doen.
Let op! Je bent al eigenaar van een product zodra je het in handen hebt!!!!! Ook al is het nog niet betaalt.

Wilsovereenstemming
De koper en de verkoper moeten het vrijwillig eens zijn geworden met de overeenkomst, dus zonder dwang, dwaling of bedrog.

Handelinsbekwaam en onder curatele stellen
Om een overeenkomst af te sluiten moet je meerderjarig zijn (18+) of getrouwd zijn en niet onder curatele staan, dan ben je handelingsbekwaam. Ben je dat niet dan is een koopovereenkomst wel geldig, maar kan die op verzoek van bijvoorbeeld ouders weer ongedaan worden gemaakt. Onder curatele staan mensen die niet zelf kunnen handelen. Iemand die geestelijk gestroord is, of een drankprobleem heeft, of gokverslaafd is kan door de rechter onder curatele komen te staan. Een curator (familielid bijvoorbeeld) houdt toezicht op de financiele zaken.

Colportagewet
Verkopers aan de deur of aan de telefoon. Ze maken inbreuk op je privacy, als je naar een winkel gaat ben je voorbereidt op het verkopen. Thuis niet. Omdat verkopers nogal hardnekkig zijn kopen mensen vaak het product om van de verkoper af te komen. Daarom vallen verkopers aan de deur, op party's en aan de telefoon onder de colporatewet. Daar staan de volgende afspraken in:
- binnen zeven dagen mag de koper het artikel zonder reden teruggeven en het geld terugkrijgen.
- dit geldt alleen voor producten die duurder waren dan 34 euro.

Sinds 2001 vallen ook aankopen op internet onder deze wet.

De tupperwareparty (van die plastic bakjes) is een vorm van thuisverkoop.

Voorlopig koopcontact
Bij de aankoop van een onroerde zaak (huis,grond) gaat het iets anders. Er wordt een voorlopige koopakte gemaakt. Mocht het financieel niet rondkomen dan vervalt de overeenkomst.

Transportakte
Als alles rond is moet bijvoorbeeld het huis van eigenaar wisselen. Dit gebeurd met een transportakte. Deze moet door een notaris gemaakt worden!

Kadaster
Is dat ook gedaan, dan wordt er in het kadaster de naam veranderd. Het kadaster is een databank waarin alle onroerende zaken staan met de eigenaar en afmeting erbij. Zoek je eigen huis in het kadaster

Pas na inschrijving in het kadaster ben je pas eigenaar.

Goed om te maken: blz 44: 12 t/m 20



Hoofdstuk 2 par.3


Introductie
Wat komt erbij kijken als je een huis gaan kopen of huren. Wat doet de makelaar en wat betekent nou K.K. of V.O.N.
Makelaar
Als je een woning gaat verkopen doe je dat meestal met behulp van een makelaar. Deze weet precies waar je aan moet denken, plaats je op websites en in folders. De verkoop van je huis zal sneller gaan. Ook kan de makelaar onderhandelen met de koper van je huis. Tegenwoordig kan je ook een makelaar inschakelen als je een huis gaat kopen. Een aankoopmakelaar. Veel makelaars zijn lid van de NVM, de Nederlands Vereniging van Makelaars. Dit staat voor een bepaalde kwaliteit en kennis die je van een NVM makelaar kan verwachten. Je hoeft je huis niet met een makelaar te verkopen, het is niet verplicht, je kan het ook zelf doen.
Makelaarscourtage
Het bedrag wat de makelaar in rekening brengt om je huis te verkopen heet makelaarscourtage. Niet alleen voor de makelaar betaal je geld, ook voor de notaris.
Kosten Koper (k.k.)
Achter advertenties van huizen staat vaak k.k. Dit betekent dat de kosten voor de koper zijn. Dan moet je denken aan overdrachtsbelasting, inschrijven bij het kadaster en meer. Bij de prijs van een huis moet je ongeveer 10% aan kosten koper optellen. Dus kost een huis 200.000 dan zal je uiteindelijk 220.000 ervoor kwijt zijn
Vrij Op Naam (v.o.n.)
Hierbij zijn er geen kosten die je nog extra moet betalen. Dit komt voor bij nieuwbouwhuizen. Omdat je de eerste eigenaar ben. De kosten zitten dan al in de prijs. Bij v.o.n. hoef je dus niet die 10% erbij te rekenen.
Huren
Soms is het beter om te huren. Als je bijvoorbeeld geen hypotheek wil/kan nemen. Of als je weet dat je ergens toch maar tijdelijk woont. Huren heeft voordelen. De huizen zijn vaak van een woningcorporatie. Die zijn verantwoordelijk voor het grote onderhoud zoals riool, verven, reparatie van lekkage en meer. Dat is wettelijk verplicht. Het scheelt jou dus een zorg. Een ander voordeel van huren is dat je er binnen een maand uitkan. Je hoeft je huis niet te verkopen.
Aan huren zitten ook een paar nadelen. Je mag het huis niet teveel verbouwen, want als je het huis verlaat dan moet het in dezelfde staat zijn als waar het in was toen jij erin trok. Ook heb je bij huur geen bezit. Het huis is niet van jou en zal het ook nooit worden. Bij koop heb je dit wel.
Heb je een klacht over je huurhuis of verhuurder dan kan je naar de huurcommissie
Een voordeel van kopen is dat je huis meer waard wordt. Je kan het na een aantal jaar dus met winst verkopen. Bij huren heb je dit voordeel niet.
Puntensysteem
Hoeveel huur je moet betalen hangt af van het aantal punten dat een huurhuis heeft. Heeft het 4 kamers dan komen er 3 punten bij, heeft het geen balkon dan gaat er 1 af. Het totaal aantal punten bepaald de hoogte van de huur.
Huurovereenkomst
Dit is een schriftelijke of mondelinge overeenkomst tussen jou (huurder) en de persoon/corporatie waarvan je het huis huurt (verhuurder). Wie gaat over het ontstoppen van het toilet? Jij of de verhuurder? Als je geen afspraken maakt dan staat in de wet hoe het geregeld moet zijn. Jij het klein onderhoud, de verhuurder het groot onderhoud. Je mag daarvan afwijken daarom heet het aanvullend recht. Sommige dingen over een huurovereenkomst mag je niet anders afspreken dan zoals in de wet staat. Dit is dwingend recht. Een voorbeeld is dat als de verhuurder overlijdt de overeenkomst geldig blijft. De nieuwe verhuurder moet jou gewoon in de woning laten wonen. Ook mag de verhuurder het huis niet zomaar verkopen zolang jij er nog in woont. Dood en koop breken geen huur. Jij geniet huurbescherming.
goed om te maken: blz 48: 21, 23, 24, 25, blz 63 11 t/m 15
Examenonderdeel: Nee, wel basiskennis

Hoofdstuk 2 par.4

Introductie
Iedereen heeft behoefte aan bepaalde zaken. Van eten, tot vakantie tot kleding. Heleaas hebben we niet onbeperkt geld om die spullen te kopen.

Schaarste
Hier draait het bij economie om. Een product is schaarst als we om een product te maken machines en/of mensen nodig hebben moeten we er voor betalen. Omdat we niet onbeperkt geld hebben kunnen we iets anders niet kopen als we dit product kopen, we moeten prioriteiten stellen, wat is belangrijker en wat niet. Soms hoef je ergens niet voor te betalen. Zonlicht (hoe zeldzaam soms ook) is gratis te gebruiken.

Basis- en overige behoeften
De basisboeften zijn de belangrijkste behoeften die je nodig hebt om te kunnen leven. Voeding, kleding en woonruimte. Alle het overige noemen we overige behoeften. Denk aan vakantie's, audio apparaten, auto enz.

Zelfvoorziening en specialisatie
Vroeger deden de meeste mensen aan zelfvoorziening, je bakte je eigen brood, slachte je eigen vee, had een kip voor eieren, maakte zelf kleren enz. Nu bleek dat Jan heel goed was in het bakken van brood en Kees heel goed was in het houden van vee. Ze spraken af dat Jan voortaan Kees zijn brood bakte en Kees in ruil daarvoor voor Jan zijn vlees zorgde. Dit is een klein voorbeeld, maar het werd steeds groter, iedereen ging doen waar hij goed in was. Dit noemen we specialisatie. Dat gebeurt vandaag de dag nog. Jij gaat straks ook datgene doen waar je goed in bent. Een ander verschil met vroeger en nu. Toen werd er geruild (ruilhandel) met elkaar tegenwoordig koop je het van elkaar.

Doelgroep
Al eens een bejaarde met een Ipod ziet lopen? Nee, waarschijnlijk omdat het niet bij ze past? Heb je weleens je vriend(in) voor zijn/haar verjaardag een bootreis over de rijn zien vragen? Nee, waarschijnlijk omdat dat helemaal niet voor haar bedoelt is. Apple (van de IPOD) richt zich op jongeren. De reder van de bootreisjes richt zich op ouderen. Beide hebben een andere doelgroep. Jonge jenever voor oudere mensen, coca cola voor de jeugd. Behalve oud en jong kan je doelgroepen ook indelen in: man/vrouw, vrijgezel/relatie, kind/geen kind, avontuurlijk/niet avondtuurlijk, doe het zelver/twee linkerhanden. Je kan je als fabrikant niet op iedereen richten. Lopen bejaarden ook met een Ipod, dan zullen jongeren afhaken.

Marktonderzoek
Een onderzoek wat een bedrijf doet voordat ze een product gaan verkopen of een winkel gaan openen. Zijn er wel genoeg mensen die dit product willen. Of kopen ze er meer van als we het in een rode verpakking doen. Het doel is om producten beter af te stemmen bij de klant. Dit is een marktonderzoek.

Marketing
Datgene wat de fabrikant doet om zoveel mogelijk aan jouw wensen tegemoet te komen heet marketing een flitsende reclame een leuke aanbieding zorgen er allemaal voor dat jij sneller het product koopt. Een bedrijf heeft een aantal marketinginstrumenten om jouw koopgedrag te beinvloeden:
- product: een aantrekkelijke verpakking of een hoge kwaliteit van het product
- prijs: een lage prijs om het aantrekkelijk te maken, of een hoge prijs om het bijzonder te houden
- plaats: op een locatie gaan zitten die makkelijk te bereiken is voor jouw.
- promotie: reclame maken voor je product zodat het jou gaat interesseren.


A-Merken B-merken en C-merken (of eigen merk)
Er zit groot verschil in prijzen van producten. Douwe Egberts koffie is een A-merk. Een bekend merk en daar betaal je ook voor. Men gaat ervan uit dat de kwaliteit van deze koffie hoog is. Kannis en Gunnink is een B-Merk koffie. De verpakking is wat minder flitsend en men denk dat de kwaliteit minder is. Perla (of eigen merk) koffie is een C-merk. Voor weinig geld heb je koffie.
Toch zijn er mensen die Perla lekkerder vinden dan DE. Een B of C merk hoeft niet van mindere kwaliteit te zijn. Sterker nog, misschien zitten dezelfde koffiebonen in perla als in DE. Je betaalt alleen meer omdat het DE is. Kijk ook dit filmpje

Goed om te maken: blz 52: 29, 30, 33, 34

Examenonderdeel: Nee, wel belangrijke basiskennis.

KLIK HIER VOOR DE PROEF-PROEF-TOETS VAN HOOFDSTUK 2

Hoofdstuk 3 par.1

Introductie
Oook zo'n simpele, maar mooie uitvinding. Verzekeringen! 100 mensen stoppen 10 euro in de pot. Als 2 van de 100 mensen een schade heeft hoeven ze dat niet zelf te betalen, maar kunnen ze het uit de pot halen. Zo hoeft niemand bang te zijn dat hij zijn schade niet kan betalen. Dit is verzekeren. Je kan je voor van alles verzekeren, maar het moet wel in verhouding staan. Is het handig je balpen van 2 euro te verzekeren tegen kwijtraken? Als je 1,50 per maand moet betalen voor die verzekering, kan je misschien beter een nieuwe kopen als je hem kwijt bent.

Onzeker voorval
Je kan je alleen verzekeren tegen situaties of gebeurtenissen waarvan je niet weet wanneer of dat ze gebeuren een zogenaamd onzeker voorval. Kan je je verzekeren tegen slecht weer op je bruiloft? Ja! Je krijgt je geld terug als je je trouwerij door het slechte weer in het water valt (haha). Kan je verzekeren voor het geval je partner nee zegt in plaats van ja? Nee! Dat kan niet, jij of je partner hadden vooraf l kunnen bedenken of je ja of nee ging zeggen, het is niet zo onzeker. Je gaat immers pas trouwen als je er zeker van ben dat het dubbel ja wordt.

Premie
Zoals die 100 mensen uit de introductie die allemaal tien euro in de pot doen. Die tien euro is de premie. Het bedrag wat je moet betalen om verzekert te zijn. Dit is de prijs die je betaalt voor het laten over nemen voor financiële gevolgen van schade.

Polis
Op dit papier staan afspraken omtrent de verzekering. Wat is precies verzekerd? Hoeveel moet je betalen? Hoelang loopt de verzekering. Dit formulier met afspraken is de polis.

Aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP)
Sommige verzekeringen zijn verplicht, zoals een bromfietsverzekering en autoverzekering. Een AVP is niet verplicht, maar wel heel slim. Stel dat jij per ongeluk schade maakt bij iemand dan kunnen je ouders de schade claimen bij de AVP.

Uitsluitingen
Sommige zaken zijn niet verzekerd. De zogenaamde kleine lettertjes of uitsluitsels. Zo kan het zijn dat je de schade niet terugkrijgt als het veroorzaakt is door een overstroming of een terroristische aanslag. Lees dus goed wat wel en niet verzekerd is.

Eigen risico
Een verzekeringsmaatschapij kan jou een eigen risico opleggen. Bijvoorbeeld 200 euro. Dat betekent dat je bij de eerste schade die je maakt je de eerste 200 euro zelf moet betalen. Hiermee voorkomt de maatschapïj dat je voor elk wissewasje een claim indient. Is je eerste schade 50 euro, dan blijft er nog een eigen risico over van 150. Heb je eenmaal die 200 betaalt, dan hoef je bij de volgende schades dat niet meer te betalen. Eigen risico is meestal per jaar. Dus het jaar erna begin je weer van voor af aan. Een hoger eigen risico betekent dat je minder premie hoeft te betalen. De verkering heeft namelijk minder risico omdat je zelf een stuk betaalt.

goed om te maken: blz 98: 15 t/m 17

Examenonderdeel: Nee, wel basiskennis

Klik hier voor de powerpoint van deze paragraaf





Hoofdstuk 3 par.2

Introductie
Even verder op verplichte verzekeringen. Als jij iemand met je brommer aanrijdt en die persoon is de rest van zijn leven gehandicapt dan is het lullig als jij niet verzekerd bent. Door jouw schuld heeft iemand de rest van zijn leven een probleem. Vandaar dat je als je brommer wil rijden verplicht een verzekering moet afsluiten zodat als je brokken maakt, de ander niet de pineut is van jouw fout.

Wettelijke Aansprakelijkheidsverzekering (WA) voor motorvoertuigen
Hetzelfde als een bromfietsverzekering. Als ik schade maak met mijn auto aan een ander (of zijn bezit) dan wordt de schade van die ander vergoed. Degene die schuldig is, moet de ander betalen.

WA + Casco
Wil je dat ook jouw schade wordt vergoed als jij schuld hebt dan moet je een WA+Casco verzekering afsluiten. Casco betekent dat ook jouw eigen schade wordt terugbetaald door de verzekering. Dit soort verzekering is wel een stuk duurder! Dit wordt ook wel en all risk verzekering genoemd.

Korting
Mensen in Groningen betalen minder voor een autoverzekering dan mensen in Zuid Holland. De Groningers maken minder kans op schade omdat het daar veel rustiger is met auto's dan in Zuid Holland. Per regio kan de prijs dus verschillen, woon je in een kleine stad dan krijg je korting op een inbraakverzekering.

No Claim Korting
Voor elk jaar dat je schadevrij rijdt krijg je een korting op je premie als beloning. Omdat je geen claim (schade) hebt ingedient krijgt je dat vandaar no claim. Veel maatschapijen werken met een bonus malus ladder, waarin je precies kan zien hoeveel korting je krijgt en wat er veranderd als je wel een keer schade rijdt. Als de verzekering de schade op de andere partij kan verhalen daaltje no claim niet.

Bekijk ook de powerpoint

Goed om te maken: blz 96 6 t/m 9

Examenonderdeel: Misschien!

Hoofdstuk 3 par.3

Introductie

Eén van de belangrijkste dingen die mensen willen verzekeren is hun huis en alles wat erin staat. Wat als een orkaan zoals Dean korte mette maakt met je huis en alles erin meeneemt de lucht in?
Opstalverzekering
Met een opstalverzekering verzeker je jouw huis en alles wat daarmee verbonden is. Dat moet dan wel onroerend goed zijn zoals een schuur. Het bedrag waarvoor je verzekerd moet zijn wordt berekent aan de hand van de herbouwaarde, want als je huis in vlammen opgaat wil je het opnieuw bouwen.

Inboedelverzekering
Met de inboedelverzekering verzeker je alles in je huis, de roerende zaken.

Onderverzekeren
Als je iets verzekerd dan moet de waarde wel kloppen. Verzeker je het voor 10.000 euro en is het 15.000 waard. Dan zal je bij de schade uitkering dus 10.000 krijgen en geen 15.000. Je premie is ook gebasseerd op die 10.000. Je bent in zo'n geval onderverzekerd. Soms doen mensen het express. Ze betalen minder premie, dat is gunstig, ze hebben wel het risico dat ze bij schade minder uitgekeerd krijgen. Stel dat je een schade hebt van 500 euro. Hoeveel krijg je dan? Je bent onderverzekerd dus zal je niet die 500 krijgen wat wel?

verzekerde waarde (die 10.000) x schadebedrag (die 500)

werkelijke waarde (die 15.000)

Oververzekeren
Dit is als je in plaats van die 15.000 voor 20.000 verzekerd bent. Sommige mensen denken dat ze dan bij schade lekker 5000 euro winst maken. Dat is niet zo. De verzekering zal je alleen die 15.000 uitkeren. Ze kunnen achteraf altijd goed inschatten wat de waarde was. Sommige mensen oververzekeren zich uit voorzorg, beter oververzekerd dan onderverzekerd denken ze.

Let op! Verzekeringen nemen tegenwoordig de waarde van de woning of inboedel vrij ruim. Op die manier is de kans op onderverzekeren klein. De verzekering zorgt er dus voor dat je een beetje oververzekerd bent. Aangezien de premies laag zijn, is dat voor veel mensen geen probleem.

Indexeren
Je kan in 2000 een huis bouwen voor 150.000 euro. Maar in 2007 zal de prijs van datzelfde huis gestegen zijn tot misschien 160.000. Heb je het in 2000 dus verzekerd dan zit je in 2007 te laag met je herbouwwaarde. Je verzekeringsmaatschapij zal daarom je verzekering aanpassen aan het indexcijfer van dat jaar. Elk jaar bekijkt het CBS of de bouwkosten in dat jaar gestegen zijn. Daar maken ze een indexcijfer van. Was dat in 2000 100 en in 2007 106, dan is er dus een stijging (van 100 naar 106). Elk jaar stijgt dit getal dus elk jaar berekend de maatschapij opnieuw wat je moet betalen. Hoe doen ze dat?

oorspronkelijke waard (die 150.000) x nieuwe indexcijfer (106) = nieuwe waarde van je huis.

indexcijfer van dat jaar (dus 100)

Klik hier voor de powerpoint van deze paragraaf

goed om te maken: alle opdrachten van de paragraaf

examenonderdeel: nee, wel basiskennis

Hoofdstuk 3 par.4

Introductie
Je verzekert je tegen ziektekosten. Maar wat als je een jaar lang de huisarts niet ziet, of geen andere zorg nodig hebt. Heb je dan voor niks betaalt? Ja en nee, zelf heb je er weinig aan gehad voor dit jaar. Maar andere mensen die wel ziek waren hebben wel uit de pot betaalt gekregen waar jij ook je premie in hebt gestopt. Misschien heb jij daar volgend jaar wel wat uit nodig.

Particuliere verzekeraar
Een verzekeringsmaatschapij is een bedrijf als geen ander. Hun doel is winst maken. Hoe doen ze dat. Er zullen potjes zijn waar aan het eind van het jaar nog geld in over is. De premieontvangensten zijn hoger dan de uitkeringen. De verzekeraar kan dat geld als winst nemen. Een deel van de winst moeten ze reserveren voor het geval er een keer gigantische veel uitkeringen zijn (denk aan een natuurramp). Een particuliere verzekeraar zal ook concurreren met andere maatschapijen om te zorgen dat jij nou juist hen een verzekering afsluit. Je zal dus gaan kijken waar je het beste naar toe kan. Wat verzekerd de één wel en de ander niet.

Basisverzekering en aavullende verzekeringen
Iederen Nederlander heeft het recht op een verzekering tegen ziektekosten een zogenaamde ziektekosten verzekering. Om te voorkomen dat particuliere verzekeraars te hoge bedragen gaan rekenen is door de overheid de basisverzekering bedacht. Elke maatschapij moet een basisverzekering bieden, in die basisverzekering zit bij elke maatschapij hetzelfde deel. Bijvoorbeeld huisarts bezoeken en 1 keer tandarts per jaar. De prijs van de basisverzekering ligt rond de 90 euro per maand. Verzekeringsmaatschapijen mogen wel minder maar niet meer rekeningen daarvoor. Zo kunnen ook de mindere inkomens een verzekering tegen ziektekosten afsluiten. Wil je extra verzekerd zijn dan zal je een aanvullende verzekering moeten nemen. De keuze is groot. Wil je fysiotherapie in je 'pakket' of wil je in het buitenland ook verzekerd zijn? Of beide. De prijs van een verzekering kan inclusief de basisverzekering oplopen tot zo'n 180 euro per maand!
Dit systeem is er sinds een aantal jaar.

Let op! Het stuk over ziekefondswet )blz 87 en 88 tot opdracht 26 komt te vervallen. Bovenstaande komt in de plaats.

Sociale verzekering
Sociale verzekeringen zijn verzekeringen die de overheid regelt, dus geen particuliere verzekeraar. Je betaalt verplicht een premie, die gaat maandelijks van je salaris af. Al deze premies gaan in het sociaal fonds (hele grote pot). Uit deze pot worden Nederlands burgers betaalt die soor ziekte/handicap/ouderdom niet meer voor een inkomen kunnen zorgen.

Goed om te maken: 15, 17 blz 98
Examenonderdeel: Nee, wel heel belangrijke basiskennis, met name sociale verzekeringen

klik hier voor de proef proef toets h3

Hoofdstuk 4 par.1

Introductie
De titel van de paragraaf is "Overheid, wat heb je eraan?" De meeste Nederlanders zullen er zo overdenken. Wat de overheid allemaal niet mis doet! De overheid maakt niet alleen fouten, ze doen meer...ook goede dingen.

Collectieve sector en Particuliere sector
Als we het over de overheid hebben dan spreken we over de collectieve sector. Bedrijven die van de overheid zijn zijn ook actief in de collectieve sector. Ze hebben als doel de burgers te helpen. Ze hebben niet als doel om winst te maken, de prijs van de producten is gelijk aan de kosten die ze ervoor gemaakt hebben. Misschien een beetje extra voor de zekerheid.
Alle overige bedrijven, van de bakker tot het ICT bedrijf zijn bedrijven in de particuliere sector. Ze zijn eigendom van particulieren (zoals jij en ik) en hebben als doel winst maken.

Privatiseren
Het kan zijn dat de overheid op een bepaald moment één van haar eigen bedrijven (de NS) niet meer wil hebben. Het bedrijf wordt dan "verkocht" aan de particuliere sector. Als een bedrijf van collectief naar particulier gaat heet dit privatiseren. De overheid kan een aantal redenen hebben. Het bedrijf loopt niet goed, vaak komt dat omdat er bij de collectieve sector niet gelet wordt op winst. In de particuliere sector zijn eigenaren veel kritischer, ze gaan reclame maken halen onderdelen die veel te veel geld kosten uit het bedrijf. Vaak maakt een particuliere ondernemer het bedrijf gezonder, dit duurt wel even. Het kan ook zijn dat de overheid het niet meer haar taak vind. Ook dan kunnen ze besluiten het te privatiseren.
Er zijn drie soorten privatiseren:
Afstoten: De overheid doet het bedrijf van de hand en heeft er ook niks meer over te zeggen (de NS).
Uitbesteden: Het is een taak van de overheid, maar een particulier bedrijf doet het werk (vuil ophalen)
Zelfstandig maken: Het bedrijf is in handen van de overheid (of voor een deel), maar moet wel winst maken (Holland Casino).

Taken van de overheid
De overheid heeft een vijftal hoofdtaken.
1. De overheid als werkgever: 25% van de beroepsbevolking werkt voor de overheid, van agenten, belastinginspecteurs, leraren enz. Iemand in dienst van de overheid is een ambtenaar
2. De overheid beschermt burgers: de wet minimumloon zorgt ervoor dat jij niet door je baas te weinig betaalt krijgt. Ook dat zebrapad zorgt voor jouw veiligheid, als die persoon niet stopt voor je kan hij een boete krijgen van zo'n 90 euro.
3. De overheid levert goederen en diensten: de overheid bouwt dijken (valt ook onder 2), wegen, straatverlichting, energievoorziening. Deze dingen worden betaalt uit de belastingen.
4. De overheid beinvloedt het gedrag van burgers en bedrijven: bedrijven die ervoor zorgen dat ze het milieu zo min mogelijk schaden kunnen rekenen op een subsidie van de overheid. Ene subsidie is een financiële bijdrage van de overheid zonder tegenprestatie. Ook bedrijven die bijvoorbeeld langdurig werklozen of gehandicapten in dienst nemen krijgen een subsidie als beloning. De overheid kan willen dat burgers meer gebruik gaan maken van musea en bioscopen, de overheid kan die bedrijven subsidie geven zodat ze de kaartje goedkoper kunnen maken. Omgekeerd kan ook, als jij benzine koopt voor je scooter, of sigareten dan zit er bij de prijs ook accijnzen (vaak meer dan de helft van de prijs!). Dit is een extra belasting waarmee de overheid wil dat je minder van schadelijke producten gebruikt.
5. De overheid streeft naar een rechtvaardige inkomensverdeling: de rijkere Nederlanders betalen wat meer belasting zodat de lagere inkomens wat minder belasting hoeven te betalen. Op die manier zijn de inkomensen gelijker verdeelt. De rijkere houden wat minder over, de armere wat meer. Het verschil in brutoinkomen (voor belastingheffing) kan groot zijn, het verschil in netto (na belastingen en premies) is kleiner.

Je ziet dat het klagen over de overheid niet altijd terecht is, er zijn genoeg dingen die de overheid wel aardig geregeld krijgt.

Klik hier voor de powerpoint

goed om te maken: blz 106 4 t/m 10
Examenonderdeel: JA

Hoofdstuk 4 par.2

Introductie
In veel landen is het niet zo logisch dat je een uitkering krijgt als je ziek bent of werkloos. Nederland is misschien wel het land dat het meeste voor zijn burgers zorgt als het om inkomen gaat. "Iedereen heeft recht op een inkomen" is de slogan van Nederland.

Verzorgingsstaat
Nederland is een verzorgingsstaat dat betekent dat we met elkaar voor elkaar zorgen. De overheid heeft de coördinatie hiervan in handen. Van je salaris gaat een deel in een pot. Uit die pot (het sociale stelsel) betaald de overheid mensen die geen inkomen hebben omdat ze werkloos zijn, arbeidsongeschikt of ziek. We klagen wel dat we veel belasting en premies moeten betalen, maar het is niet voor niks.

Sociale zekerheid
Dit is het stelsel waarin wordt aangegeven welke verzekeringen en voorzieningen er zijn. Zie onderstaand schema

Aan de ene kant zijn er sociale verzekeringen. Voor een verzekering moet je premie betalen, die premies gaan gelijk van ons salaris af. Sommige verzekeringen zijn alleen voor werknemers (WerkeloosheidsWet, Wet ArbeidsOngeschiktheid en de ZiekFondsWet). Andere zijn voor alle mensen in Nederland zoals de Algemene OuderdomsWet vanaf je 65e. Je werkt dan niet meer dus heb je geen inkomen meer. De AOW is een bedrag van de overheid wat je krijgt.
De andere kant is de sociale voorzieningen, hier valt de Algemene BijstandsWet onder. Als je geen recht hebt op één van de verzekeringen krijg je de bijstand.
AOW
Dit bedrag krijg je als je 65 jaar wordt. In plaats van je salaris krijg je van de overheid een inkomen. Dit is afhankelijk van je situatie (alleen of samen) tussen de 900 en de 1300 euro. Omdat er de komende jaren teveel ouderen komen zal het moeilijk worden die allemaal te betalen. Veel ouderen hebben naast de AOW ook een pensioen.
Werkloosheidswet
Als je als werknemer buiten je schuld om werkloos wordt (dus niet zelf ontslag genomen hebt) kan je een WW uitkering krijgen. Die geld maar voor een bepaalde tijd. Des te langer je hebt gewerkt des te langer je hem krijgt. Je moet wel aan een aantal eisen voldoen om hem te krijgen:
- De laatste laatste 39 weken voordat je werkloos werd er minimaal 26 gewerkt hebben (weken-eis)
- De moet minimaal vijf arbeidsuren per week verliezen en beschikbaar zijn voor ander werk.
- Je moet je laten inschrijven bij het CWI (Centrum voor Werk en Inkomen)
Voldoe je hieraan dan ontvang je een WW uitkering van 70% van het minimumloon.
Jaren-Eis
Als je behalve de bovenstaande regels ook nog voldoet aan de jaren eis dan krijg je geen 70% van het minimumloon, maar 70% van je laatst verdiende salaris (loonafhankelijke uitkering). Dat is altijd meer. De jaren eis zegt dat je dan de afgelopen 5 jaar er minimaal 4 achter elkaar gewerkt moet hebben.
- De laatste 5 jaar er drie achter elkaar gewerkt, dan voldoe je niet
- De laatste 5 jaar wel 4 jaar gewerkt maar met een tussen pauze van een jaar, dan voldoe je niet.
- De laatste 5 jaar alleen maar gewerkt, dan voldoe je wel
- De laatste 4 jaar achter elkaar gewerkt, dan voldoe je wel
Let op: staat er in een vraag iets over dat iemand al 6, 10, of 20 jaar achter elkaar werkt dan blijf je 5 opschrijven, alleen de laatste 5 jaar zijn interessant.
Opdracht 19 is belangrijk om hierbij te maken.
Goed om te maken: alle opgaven
Examenonderdeel: JA

Hoofdstuk 4 par.3

Introductie
Vervolg

Algemene bijstandswet
Heb je geen recht op een verzekering en heb je geen inkomen, dan krijg je een bijstandsuitkering. Dit is een bedrag wat net hoog genoeg is om van te kunnen leven. Waarom is het zo laag? Om die manier wil de overheid voorkomen dat mensen niet gaan zoeken naar een baan. Werken moet meer opleveren dan bijstand. Daarom is de bijstand ook lager dan het minimumloon. Op zich een goede regel, alleen die alleenstaande moeder met 2 jongen kinderen zonder oppas, zal het niet makkelijk hebben. Werken kan ze niet, dus blijft ze in de bijstand.



Beatrix in remix tijdens troonrede.
Rijksbegroting
Je weet dat een begroting een overzicht is van de verwachte opbrengsten en verwachte kosten van iemand. De overheid (het rijk) maakt ook zo'n overzicht. De heet dan de rijksbegroting. die wordt op Prinsjesdag (3e dinsdag in september) samen met de miljoenennota door de minister van Financiën (Bos) aangeboden aan de 2e kamer. Die gaan samen met de 1e kamer kijken of de plannen die in de begroting staan ook uitgevoerd mogen worden.

In dit koffertje dat de minister van Financiën heeft zit de rijksbegroting en de miljoenennota.


Gemeentefonds en Gemeentelijke belastingen
Gemeenten krijgen zo'n 60% van hun geld vanuit het gemeente fonds. Oftewel, de overheid (grote baas) geeft gemeente geld. De rest van de inkomensten van gemeenten komen door onroerendezaakbelasting, rioolrecht, parkeerbelasting en het verhuren of verkopen van grond.

Klik hier voor de powerpoint van deze paragraaf


Goed om te maken: alle opdrachten van de paragraaf
examenonderdeel: JA

Hoofdstuk 4 par.4

Introductie
Waar betaalt de overheid het allemaal van. Van die belastingcenten? Is dat zo'n groot bedrag dan. Zeker weten, we betalen het allemaal. Ook al heb je helemaal geen werk. Denk maar aan de BTW die op elk product zit wat jij koopt.

Belastingen
Paul heeft besloten geen belasting meer te betalen. Als hij bezoek krijgt van een inspecteur legt hij zijn verhaal uit. "Ik vind de hele oorlog in Irak zo'n onzin. Er wordt geld uitgegeven door de overheid aan wapens en munitie, dat gebeurd van belastinggeld. Mijn belastinggeld. Ik wil niet meebetalen aan de oorlog dus ik betaal niet meer". Op zich een logische redenering van Paul. De inspecteur legt uit wat belasting precies is. "Belasting is een heffing om niks, dus je betaalt ons, maar je krijgt er niks voor terug. Zo staat het in de wet." "Ja"zegt Paul "Maar ik krijg van alles terug voor de belasting, wegen enzo". "Dat klopt"zegt de inspecteur "maar omdat het een heffing om niks is, kan je nooit zeggen dat van jouw geld tanks worden gekocht". "Daarmee voorkomen we dus dat mensen gaan zeggen, 'ja maar ik wil helemaal geen lantarenpalen, dus ik betaal lekker minder'. Zo werkt het niet. "Je betaalt het maar je krijgt er dus officieel niks voor terug" vat Paul samen. "Inderdaad, noem het legale diefstal" grapt de inspecteur.

Kostprijsverhogende belastingen
Bovenop de normale prijs komt nog een belasting te staan, dit is een kostprijsverhogende belasting.

Belasting op inkomsten, winst en vermogen
Als je werkt betaal je inkomstenbelasting. Heb je een bedrijf, dan is de kans groot dat je belasting over je winst moet betalen (vennootschapsbelasting). Heb je veel geld op een spaarrekening staan en ontvang je veel rente, dan betaal je over die rente ook belasting. Dit zijn de belastingen op inkomsten/winst/vermogen.

Niet belasting ontvangsten
Soms moet je iets aan de overheid betalen waar wel wat tegenoverstaat, het is dan geen belasting. Je betaalt het niet voor niks. Denk aan parkeergeld, of een bekeuring, een bouwvergunning. Ook heeft de overheid winst uit een aantal van haar bedrijven, zoals Holland Casino en de Aardgas opbrengensten. Dit zijn de niet belastingontvangsten.

Belasting over de Toegevoegde Waarde
Hier haalt de overheid de meeste inkomsten vandaan. Stel dat een bedrijf een product gaat verkopen voor 100 euro. Oftewel de verkoopprijs is 100 euro. De overheid heeft bepaald dat er op de verkoopprijs nog 19% BTW moet. De uiteindelijke prijs van het product wordt dus 100+19%=119 euro. De ondernemer moet de BTW die hij van klanten krijgt teruggeven aan de overheid. Als de ondernemer producten inkoopt moet hij ook BTW betalen aan zijn leverancier, het zit immers in de prijs. De BTW die de ondernemer moet betalen voor zijn ingekochte spullen krijgt hij terug van de belasting dienst, een voorbeeld:

TV BV koopt voor 200 euro een tv in. Bij die 200 euro moet TV BV nog 38 euro BTW betalen aan de leverancier. Dus totaal is TV BV 238 euro kwijt.

De tv van 200 euro gaat de winkel in voor 300 euro. Ook daar komt BTW bij (57 euro) de prijs wordt dus 357 euro.

Aan het eind van de maand moet TV BV BTW aangifte doen. Hij moet en BTW betalen (57 euro), maar hij krijgt ook terug van de belastingdienst (38 euro). Wat is handig?

1. Hij moet 57 betalen en 38 krijgen, dus hij kan ook het verschil betalen: 57-38=19 euro
2. Hij heeft voor 300 verkocht en voor 200 ingekocht, dus hij heeft 100 euro toegevoegd, daar moet hij BTW over betalen: 100 : 100 x 19 = 19 euro

BTW tarieven
BTW is er in drie tarieven:
1. 0% op alles wat geexporteerd wordt
2. 6% op producten die tot de basisbehoefte horen denk aan eten en drinken
3. 19% op alle overige producten

Motorrijtuigenbelasting
Als je een auto hebt betaal je motorrijtuigenbelasting. Des te zwaarder je auto des te hoger de belasting, ook de brandstof bepaald de hoogte (LPG duur, benzine goedkoop). Ook de regio is van belang. Dit is motorrijtuigenbelasting. Is je auto ouder dan 25 jaar, dan hoef je dit niet te betalen.

Inkomstenbelasting
Over je inkomsten betaal je elk jaar belasting, meer daarover komt in volgende hoofdstukken

Vennootschapsbelasting
Grote bedrijven dus BV's en NV's betalen over hun winst een belasting, dat heet de vennootschapsbelasting.

Zie de powerpoint over bedrijfsvormen voor uitleg.

Klik hier voor de powerpoint over belastingen in het algemeen

Verrijking 1 par.1

Introductie
De overheid en de economie, twee zaken die invloed op elkaar hebben. Gaat het slecht met de economie, dan gaat het slecht met de overheid. Reageert de overheid daar niet goed op dan zal de economie steeds meer verslechteren. Of moeten ze zich er nou juist niet mee bemoeien? De ene econoom zal zeggen dat de economie zichzelf hersteld. Vraag en aanbod komen vanzelf weer in evenwicht. Een andere econoom zal zeggen dat bemoeienis van de overheid beter is dan de economie zijn eigen gang te laten gaan. Wat is jouw mening? Belangrijk punt zijn de uigaven van de overheid, die stijgen als het slecht gaat met de economie (denk aan al die werkloosheidsuitkeringen) maar ook de inkomsten dalen (mensen kopen minder producten dus er komt minder BTW binnen). Hoe beheert de overheid zijn geld?

Economische groei
Als het goed gaat met de economie in Nederland merk je dat aan een paar dingen. Er worden meer producten gemaakt. Er wordt meer geëxporteerd naar het buitenland. En de werkloosheid wordt minder. De economie groeit, dus is er sprake van economische groei. Hoe komt dat?
Meer consumenten gaan geld uit geven > bedrijven verkopen meer producten > bedrijven moeten meer producten gaan produceren > bedrijven hebben meer personeel nodig om die producten te maken > meer mensen krijgen een baan en dus meer geld > ook die mensen gaan meer geld uitgeven > enz enz enz.

Nationaal Product
De waarde van alle producten die in Nederland gemaakt wordt is het Nationaal Product. Als deze toeneemt is er sprake van economische groei. Dus aan het nationaal product kan je zien of de economie groeit.

Nationaal Inkomen
Als het nationaal product toeneemt, neemt ook het nationaal inkomen toe. Als er meer producten (en diensten) gemaakt wordt er meer inkomen verdiend. Meer mensen gaan aan het werk dus verdienen salaris en de mensen die al aan het werk zijn krijgen vaak wat extra omdat het zo goed loopt bij het bedrijf.

Financieringstekort
De overheid maakt elk jaar een schatting van de verwachte inkomsten en uitgaven, dit wordt bekend gemaakt op prinsjesdag, zie hoofdstuk 4. Als de overheid verwacht dat ze meer uitgaven hebben dan inkomsten dan is er een financieringstekort.

Begrotingstekort
De overheid zal geld moeten lenen als ze te weinig inkomsten hebben. Dat lenen ze bij banken en particulieren. Als je geld geleend hebt moet je dat terugbetalen (aflossen) en je moet rente betalen. Als de overheid een financieringstekort heeft dan is bij dat tekort die aflossing en rente er nog niet bij op geteld. Als ze dit wel doen dan noemen we het begrotingstekort.

Overschot
Het kan ook best zijn dat ondanks alle uitgaven er geld overblijft. Dan is er een financieringsoverschot. Is er zelfs met de aflossingen en rente ervan af nog steeds geld over dan is er een begrotingsoverschot.

Staatschuld
De overheid leent al tientallen jaren regelmatig geld van banken en particulieren. De totale schuld van de overheid (staat) heet de staatschuld. De staatschuld is ligt meestal zo rond de 200 miljard euro. De staatschuld wordt meestal vergeleken met het nationaal product. Als de staatschuld 200 miljard is en dit bijvoorbeeld 50% van het nationaal product is dan kan je uitrekenen hoe groot het nationaal product is. In dit geval plus de helft dus 200+100= 300 miljard euro.

Obligaties
De overheid die geld leent van particulieren? Dus jij en ik kunnen de overheid geld lenen? Hoe dan? Stel dat je spaargeld hebt. De bank geeft je 3% rente. Je wilt wat meer. In de krant staan regelmatig advertenties zoals op blz 142. De staat vraagt je om je spaargeld aan hun uit te lenen voor een paar jaar. Je krijgt daar elk jaar rente voor terug. Na 3 of 4 jaar krijg je je uitgeleende geld weer terug van de staat. Het voordeel is dat je meer rente krijgt (rond de 4-5%). Het nadeel is dat je je geld wel een paar jaar kwijt bent. Je hoeft overigens niet bang te zijn dat je het geld niet meer terugkrijgt. Dat gebeurt altijd. Als je je geld hebt uigeleend, krijg je daar een bewijs van, die bewijs noemen we een obligatie.

Goed om te maken: blz 149: 1 t/m 7
Examenonderdeel: Ja groot examenonderdeel !!!

Verrijking 1 par.2


Introductie
De overheid heeft het recht om heffingen te eisen van de burgers. De meeste voorkomende is belasting. Je moet belasting betalen, anders kan je bezoek verwachten van de belastinginspecteur. Ben je zoveer dat je een boete moet betalen dan is die boete niet zo misselijk, vaak moet je dan het dubbele betalen van wat je moest betalen. Dus een boete van 100%. Zover komt het bij de meeste niet, maar sommige maken er een sport van zo min mogelijk te betalen. Dat kan best, als je dat maar wel binnen de regels van de wet doet.

Directe en indirecte belastingen
Belastingen delen we in in twee groepen:
1. directe belastingen: deze betaal je direct aan de overheid dus zonder tussenkomst van een andere partij. Denk aan inkomstenbelasting, motorrijtuigenbelasting en vennootschapsbelasting..
2. indirecte belastingen: deze belastingen betaal je niet direct aan de overheid, er zit nog een partij tussen. Denk aan BTW of accijnzen, de winkelier ontvangt die belasting en de betaalt het dan weer door aan de Belastingdienst.

Retributie en Profijtbeginsel
Zoals je geleerd hebt staat er tussen belasting betalen en er wat voor terug krijgen geen direct verband. Geen flauw idee wat ze precies met jouw centen doen. Soms betaal je belasting waarvoor je wel direct wat terugkrijgt je kan zeggen dat je gelijk profijt hebt van je betaling. Denk aan het betalen voor een nieuwe ID kaart, of je bromfietscertificaat, of een vergunning halen bij het gemeentehuis of parkeergeld. Je krijgt gelijk waar voor je geld (belasting). Het geld wat de overheid hiermee ontvangt noemen ze geen belasting maar een retributie. Omdat je er dus wel direct wat voor terugkrijgt.

Inkomstenbelasting (2)
Als je 30.000 per jaar verdient moet je iets meer dan een derde aan belasting betalen. Zeg voor het gemak dat je 12.000 moet betalen. Je zou denken dat je dus aan het eind van het jaar 12.000 euro overmaakt naar de Belastingdienst. Dat kan haast niet, niet veel mensen hebben zo'n bedrag op hun rekening staan, zeker als je al niet zo'n spaarder bent is het geld eerder uitgegeven dan je denkt. Vandaar dat de belastingdienst elke maand een voorschot neemt. Elke maand gaat gelijk van je salaris een bedrag af. Als je 12.000 moet betalen is dat dus elke maand 1.000 euro. Aan het eind van het belastingjaar (rond april) gaat de belastingdienst kijken of het klopt, misschien moet er nog 300 euro bij of misschien krijg je nog 1500 euro terug.

Loonheffing
Het bedrag wat elke maand van je salaris afgaat aan premies voor volksverzekeringen en belasting heet de loonheffing. Je baas zorgt ervoor dat dit allemaal goed gebeurd, dat is niet jouw taak.

Draagkrachtbeginsel
Als je veel verdient betaal je meer belasting. Stel dat je 100.000 verdient en de belasting is 30% dan betaal je veel meer dan iemand die maar 20.000 verdient en daar 30% over moet betalen. In Nederland is het nog wat schever. Die persoon met 100.000 euro moet namelijk geen 30% betalen maar een hoger percentage dan die persoon die 20.000 euro inkomen heeft. Op die manier betalen die rijkere (die kunnen het wellicht wat makkelijker missen) een paar procent meer belasting zodat de lagere inkomens wat minder procent belasting hoeven te betalen. Dit systeem heet het draagkrachtbeginsel.

Belastbaar inkomen
De belastingdienst kan wel zeggen dat ji 30.000 euro verdient, maar dat betekent nog niet dat je ook over die 30.000 belasting moet betalen. In Nederland heb je wat regels die in je voordeel of nadeel kunnen werken. Heb je een hypotheek dan mag je de rente die je betaalt hebt aftrekken van je inkomen. Op die manier daalt je inkomen en betaal je dus minder belasting. Je inkomen daalt natuurlijk niet echt, je hebt nu eenmaal die 30.000 verdient, alleen op papier heb je minder verdient. je inkomen - of + aftrekposten = belastbaar inkomen daarover wordt je belasting berekend.

Belastingschijven
Oke, je hebt je belastbaar inkomen uitgerekend. Wat nu? Er zijn 4 belastingpercentages in Nederland. (bedragen en % zijn afgerond voor het gemak) Die staan in de belastingschijven
1e schijf: van 0 tot 15.000 euro 30% (4500 euro belasting schijf 1)
2e schijf: van 15.000 tot 30.000 euro 35% (9750 euro belasting schijf 1 +2)
3e schijf: van 30.000 tot 45.000 euro 40% (15750 euro belasting schijf 1+2+3)
4e schijf: van 45.000 tot oneindig 50%

Stel dat je een belastbaar inkomen hebt van 40.000 euro. Je zit dan in de 3e schijf, daar ergens zit jouw inkomen namelijk. Ga nu niet 40% van 40.000 nemen!!! De Belastingdienst is namelijk wel eerlijk om je eerste de lage percentages te geven.
1. Je ziet dat achter de schijven het belastingbedrag al gegeven staat schijf 1 is 4500 bijvoorbeeld. Achter schijf twee staat 9750. Dit is het totaal van schijf 1 en 2.

2. Met een inkomen van 40.000 ga je schijf 1 en 2 voorbij. Over de eerste 30.000 euro van je inkomen (tot zover loopt schijf 2) betaal je dus 9750 euro belasting. Dat is al voor je uitgerekend, ook op je examen.

3. Hoeveel blijft er dan nog over? Je hebt al over 30.000 euro belasting berekend, het moet over 40.000 dus er blijft nog 10.000 over. Van die 10.000 euro neem je 40% (je ben nu namelijk bij schijf 3 gekomen) dit is 4000 euro. Dit tel je op bij die 9750 van schijf 1 en 2 = 13750

3. Wat blijft er dan nog over? Je hebt al over 30.000 euro belasting betaalt (tot eind schijf 3) je moet over 40.000 belasting betalen dus 40.000 - 30.000 = 10.000 euro over waar nog geen belasting over is betaald. Daar neem je 40% van (10.000 x 0.40 = 4000)

Hypotheekrenteaftrek
In Nederland wil de overheid dat mensen een eigen huis hebben. Niet iedereeen wil een grote lening (hypotheek) daarvoor afsluiten. Om mensen te stimuleren dat wel te doen heeft de overheid bedacht dat je de rente die je betaalt voor je hypotheek van je inkomen af mag halen. Heb je een inkomen van 40.000 en heb je 5000 euro rente betaalt in dat jaar? Dan mag je tegen de belastingdienst zeggen dat je inkomen 35.000 was. Je komt dan lager in de de schijven terecht en je betaalt dus minder belasting.

Heffingskorting
Klaar? Nee bijna, net als in de winkel kan je op je belasting ook korting krijgen. Als je werkt en kinderen hebt krijg je en algemene heffingskorting en arbeidskorting en kinderkorting. Je moest 13750 betalen? Daar gaat dan misschien nog wel 2500 euro vanaf. De bedragen van de algemene heffingskorting enz staan altijd gegeven.

Eigenwoningforfait
Heeft net iemand bedacht dat mensen met een eigen huis lekker de rente van de hypotheek mogen aftrekken van hun inkomen, zit een deur verder iemand die vind dat mensen met een eigen huis een bedrag bij hun inkomen moeten rekenen. Het eigenwoningforfait. Je neemt de WOZ waarde van het huis. Je kijkt in de tabel welk % je moet hebben. Je neemt dan bijvoorbeeld 0.80% van 150.000 = 1200 euro. Dit tel je op bij je inkomen.

Samengevat in drie opgaven:
John heeft een eigen huis met een hypotheek van 200.000 euro. Hij betaalt daar 4% rente over. De WOZ waarde van zijn huis is 150.000, daar betaalt hij 0.80% eigen woning forfait over. Zijn inkomen is 40.000 euro per jaar. Wat is het belastbaar inkomen van John?
1. eerste de hypotheekrenteaftrek: 200.000 x 0,04 = 8000 euro die van het inkomen af mag
2. het eigenwoningforfait: 150.000 x 0.008 = 1200 euro die erbij moet
3. inkomen - rente + forfait dus 40.000 - 8000 + 1200 = 33200 euro is het belastbaar inkomen

Hoeveel belasting moet John betalen?
1. met die 33200 zit hij in schijf 3.
2. Je neemt dan het belastingbedrag van schijf 1 + 2 = 9750
3. Je hebt dan over 30.000 belasting betaalt er blijft nog 3200 over.
4. Daar neem je 40% van dus 3200 x 0.40 = 1280
5. 9750 + 1280 = 11030 euro is het antwoord

John heeft recht op de algemene heffingskorting van 1000 en de arbeidskorting van 530 euro. Wat gaat hij uiteindelijk betalen?
1. 11030 - 1000 - 530 = 9500

Goed om te oefenen: de opgegeven examenopgaven en toetsopgaven en blz 145 opdr: 13,. 14, 15, 16, 18
Examenonderdeel: JA groot examenonderdeel!!!!

Hoofdstuk 5 par.1

Introductie
In dit hoofdstuk kijken we naar een ander deel van de economie. Voorgaande hoofdstukken waren "Algemen economie" dit hoofdstuk is "Bedrijfseconomie". Hoe verdienen bedrijven hun geld, hoe bereken je de winstmarges? In dit hoofdstuk staan bepaalde stukken die niet in het boek staan, die zijn schuingedrukt. Ze zijn bedoelt als verdieping op de stof.

Produceren
Bedrijven produceren goederen, maar ook diensten. Shell produceert onder andere benzine. Een reisbureau produceert reizen. Dit is geen tastbaar iets zoals benzine, maar wel productie. Denk er aan dat als je leest over produceren dat daar dus ook de diensten mee bedoelt worden.

Productiefactoren
Elk product of dienst wordt gemaakt met behulp van drie middelen of factoren.
Arbeid: een mens die bepaald werk doet om het product/de dienst te maken
Kapitaal: machines, gebouwen, gereedschappen die van belang zijn bij het maken het product/de dienst
Natuur: natuurlijke grondstoffen en grond die nodig zijn voor de productie van het product/de dienst.
Er is geen product te bedenken waarbij je één van deze mist. Een leraar voor de klas? Maakt gebruik van arbeid (hijzelf), kapitaal (gebouw, inrichting, computer, activeboard) en natuur (daglicht, grond van het gebouw en vroeger bijvoorbeeld krijt)

Ondernemer (ondernemerschap)
Sommige mensen zijn het zat om voor een baas te werken en/of hebben een goed idee waar ze geld mee willen verdienen. Veel van die mensen starten een eigen bedrijf. Dat is vrij risicovol, je moet immers helemaal zelf voor een inkomen zorgen. Voor dat risico krijg je als het goed is wel een beloning in de vorm van winst. Veel ondernermers starten elk jaar, maar na een paar jaar blijkt dat meer dan de helft weer failliet is gegaan. Dit toont aan dat ondernemerschap niet zo makkelijk is als veel denken. Het vraagt hard werken, risico's durven nemen en verstandig met je geld omgaan. Ondanks alles zullen de meeste ondernemers toegeven dat het hard werken is, maar dat de vrijheid die ze hebben dat dubbel en dwars waard is.

Bedrijfskolom
Dit is een schematische weergave van de weg die een product aflegt heet een bedrijfskolom. Het begint misschien met ruwe olie en eindigt in benzine. Of het gaat van cacaoboon tot chocoladepaashaas. Elke bedrijf dat iets doet met het product voegt waarde toe. Logisch als jij van stukken chocolade paashazen moet maken dan zal je een machine hebben, mensen in dienst hebben en verpakkingspapier moeten kopen. Dit wil je wel terugkrijgen van degene aan wie je het weer verkoopt plus wat extra (winst). Zo kan het zijn dat het oerproduct (cacaobonen 0,12 cent) uiteindelijk een paashaas zijn met een waarde van 1,50 euro.
De vierkantjes noemen we schakels (de bedrijven). De blauwe pijlen geven de markt aan waarop de producten verhandeld worden. Een bedrijfskolom loopt altijd van oerproduct (olie, graan, cacao, boon) tot aan de consument.
Kapitaal- arbeidsintensief
Een schoonmaakbedrijf is een voorbeeld van een arbeidsintensief bedrijf. Veel werk wordt gedaan door mensen handen. Er komen weinig machines aan te pas. Kapitaalintensief zijn bijvoorbeeld fabrieken. Veel machines en apparaten die meewerken aan de productie.
goed om te maken: 1 t/m 10
Examenonderdeel: ja

Hoofdstuk 5 par.2

Introductie
Het ene bedrijf is het andere niet. Je hebt boeren en chemische fabrieken, ICT bedrijven en aannemers. Hoe delen we ze in en waren moeten die bedrijven op letten?

Bedrijfssectoren
Er zijn een viertal sectoren waar je als bedrijf bij kan horen:
1. Agrarische bedrijven: landbouw, bosbouw, visserij. Dit is de primaire sector. Ze halen hun producten uit de natuur en verkopen het in de vorm ook weer door.
2. Industriële bedrijven: zij kopen de grondstoffen van agrarische bedrijven en verwerken het tot eenproduct dit is de secundaire sector.
3. Dienstverlende bedrijven (commercieël): bedrijven die geen product verkopen maar een dienst. Denk aan het reisbureau, of de kapper, een achitect. Het doel van dit bedrijf is winst maken. (tertaire sector)
4. Dienstverlende bedrijven (niet commercieël): dit noemen we ook wel non-profit (geen winst) bedrijven. Dit zijn meestal bedrijven van de overheid. Ze willen geen winst maken, maar de burgers helpen. De prijs voor hun dienst is vaak alleen maar kostendekkend. (quartaire sector)


Productiekosten en kostprijs
Als een bedrijf een product maakt kost ze dat geld. Ze moeten misschien een machine hebben om het product te maken. Stroom en water misschien. Deze kosten noemen we de productiekosten. De productiekosten zijn een onderdeel van de kostprijs. Dit is het totale bedrag van de kosten die een bedrijf gemaakt heeft. Dus ook de kosten voor personeel bijvoorbeeld. De kostprijs is onderdeel van de verkoopprijs, op die manier betalen de klanten dus voor de kosten van het product.

Economische levensduur en Technische levensduur
Een auto gaat waarschijnlijk een jaar of 15 mee. Toch kiezen de meeste bedrijven ervoor om na 3 jaar de auto's te vervangen. Raar toch? Ze kunnen nog wel even mee. Het is gebleken dat het na 3 jaar meer geld gaat kosten om de auto te hebben/gebruiken. Ze gaan vaker kapot. Stel je voor dat je verkoper een halve dag niet kan werken omdat hij met pech staat. Dat kost je handen vol geld. De economische levensduur van deze auto is dus 3 jaar. Daarna gaat hij misschien meer kosten dan opleveren. De technische levensduur is 15 jaar. Pas daarna is hij echt helemaal op.

Afschrijving
Maar een nieuwe auto kopen na drie jaar kost ook geld? Dat klopt, maar dat geld heb je al weggelegd. Elke keer heb je een beetje geld gespaard zodat je na drie jaar de auto kon vervangen. Dit principe heet afschijven. Elke jaar wordt de auto minder waard. Dus elk jaar schijf ik een stukje af. Hoeveel moet ik afschrijven? Als de auto 50.000 kost en je wil er 5 jaar mee doen, dan schrijf je per jaar 10.000 af (50000:5). Wil je er 2 jaar mee doen dan schrijf je 25.000 euro per jaar af (50000:2). De afschrijvingskosten bereken ik door in de kostprijs.. Als ik totaal 20.000 per jaar moet afschrijven en ik maak 100.000 producten dan moet ik op elk product dus 20.000 : 100.000 = 0,20 euro rekenen om na 100.000 producten mijn afschrijving terug te hebben.

Restwaarde
Als die auto nou 50.000 euro waard is, dan is hij over 3 jaar niet opeens 0 euro waard. Er zijn zat mensen die mijn drie jaar oude auto willen kopen. Ik hoef dus niet 50.000 af te schrijven als er nog een restwaarde is. De restwaarde is het bedrag wat ik nog krijg aan het eind van mijn economische levensduur. Misschien kan ik de auto nog verkopen voor 20.000. Hoeveel moet ik dan nog afschrijven? 50.000 - 20.000 = 30.000. Hoeveel is dat per jaar? 30.000 : 3 = 10.000.

Formule voor afschrijving: (toekomstige) aanschafprijs - restwaarde : economische levensduur

Het kan zijn dat de auto over een jaar of 3 waarschijnlijk 55.000 gaat kosten in plaats van 50.000. Dan vul ik dus niet die 50.000 in als aanschafprijs, maar 55.000. Want dat bedrag heb ik nodig over drie jaar.

Afzet en Omzet
Je hebt een lekker handeltje in DVD's. De opnames van het laatste schoolfeest wil iedereen hebben. Je verkoopt ze voor 5 euro per stuk. Als je er 10 verkocht hebt heb je 50 euro in je zak.
Die 10 stuks is je afzet dus het aantal verkochte producten. En die 50 euro is je omzet dus wat je verdient hebt ermee.

Marketing, marketinginstrumenten en marktaandeel
Marketing is dat wat een bedrijf allemaal bedenkt en doet om het product zo goed mogelijk te laten verkopen. Daar zijn een aantal marketinginstrumenten voor:
1. Plaats: waar kan ik het beste gaan zitten met mijn winkeltje
2. Product: welke producten ga ik precies verkopen, welke zijn het meeste in trek?
3. Prijs: wat is de beste prijs die ik kan vragen, wat heeft men ervoor over en wat vraagt de concurrent?
4. Promotie: hoe weten mensen waar ik zit en wat ik verkoop? Hoe ga ik reclame maken en waarin/waarop?
Winkeliers proberen deze vragen zo goed mogelijk te beantwoorden en uit te voeren om op die manier een groot marktaandeel te krijgen. Misschien heeft jou concurrent wel 70% van de markt en jij 30%. Als je het slim speelt dan kan je die verhouding wellicht veranderen.

Meer afzet betekent niet altijd meer winst. De kosten kunnen wel gestegen zijn terwijl de prijs hetzelfde is gebleven.

goed om te maken:12,13,14,15,16,17,18,19
Examenonderdeel: Nee


Hoofdstuk 5 par.3

Introductie
Een verkoopprijs bestaat uit een aantal onderdelen.

Verkoopprijs
Dit bedrag bestaat uit de inkoopprijs plus de bedrijfskosten plus de nettowinst. Dit geeft de verkoopprijs

Brutowinst of toegevoegde waarde
Dit is de totale waarde die de producent toevoegd. De kosten die hij maakt plus de winst is de brutowinst. De brutowinst wordt ook wel de Toegevoegde waarde genoemd

Nettowinst
Haal ik van de brutowinst de bedrijfskosten af dan hou ik de nettowinst over. Dit is het bedrag dat de producent verdient heeft op het product.

Inkoopprijs
Dit is het bedrag waarvoor ik het product (of de onderdelen daarvan) heb ingekocht.

Klik hier voor een schema van de opbouw van de verkoopprijs (powerpoint)

Consumentenprijs
De prijs die jij als consument moet betalen voor een product heet de consumentenprijs dit is de verkoopprijs inclusief BTW.

BTW
De belasting over de toegevoegde waarde (BTW) die een verkoper ontvangt moet hij betalen aan de belastingdienst. Hij is verplicht om dit te doen. Als hij spullen inkoopt moet hij het terugvragen van de belastingdienst. Je snapt dus wel hij er geen voordeel, maar ook geen nadeel van heeft. Als een bedrijf zijn winst gaat berekenen laat hij het hele BTW verhaal dan ook weg.

Klaassen heeft een omzet van 25.000 euro inclusief 4000 euro BTW. Hij heeft de spullen ingekocht voor 15.000 inclusief 2400 euro BTW. De bedrijfskosten waren 3000 euro.
a. wat is de Nettowinst?
Nettowinst = (25.000 -4000) - (15.000-2400)= 21.000 - 12.600 = 8400
b. wat is de brutowinst?
Nettowinst + bedrijfskosten dus: 8400 + 3000 = 11400


Hoofdstuk 5 par.4

Introductie
Hoeveel kan een bedrijf maken? Hoeveel mensen hebben ze daarvoor nodig en hoe kunnen ze die mensen meer laten maken in dezelfde of minder tijd?

Productiecapaciteit
Als een bedrijf maximaal 100.000 producten per dag kan maken dan is de productiecapaciteit 100.000. Een bedrijf wil een zo hoog mogelijke productiecapaciteit. Dit kunnen ze verhogen door technische ontwikkelingen.

Arbeidsproductiviteit (APT)
Als die 100.000 producten per dag gemaakt worden door 200 personen dan maken ze per persoon 100.000 : 200 = 50 producten per persoon. Ik kan de arbeidsproductiviteit verhogen door betere technieken toe te passen. Of door mijn personeel te scholen. Wellicht gaan ze voor wat meer salaris ook wat meer werken.
Hier hoopte men de APT te verhogen door de werknemers snel te laten eten.


Nationaal Product
Neem je nou niet de productie van één bedrijf, maar van alle bedrijven in Nederland dan spreek je van het Nationaal product.

Automatisering en Mechanisering
Wordt lichamelijke arbeid vervangen door een machine dan is er sprake van mechanisatie.
Wordt de machine ook nog eens aangestuurd voor door een computer dan is er sprake van automatisering. Zowel mechanisatie als automatisering kunnen de arbeidsproductiviteit verhogen. Dat betekent niet dat er meer werk komt. Het kan zijn dat door de machines de mensen overbodig zijn geworden.

Als er 500 producten gemaakt worden door 5 mensen is de arbeidsproductiviteit 100 per persoon. Als door de aanschaf van een machine er 3 mensen weg moeten en de productie

Arbeidsverdeling
Hiet is natuurlijk het slimste om iemand die goed kan verkopen op de verkoopafdeling te zetten, en iemand die snel kan tikken op de adminstratie te laten werken. Deze arbeidsverdeling zorgt ervoor dat de arbeidsproductiviteit omhoog gaat. Mensen doen wat ze goed kunnen en kunnen dan dus meer doen.

als de APT veel stijgt, zal het bedrijf meestal ook meer winst gaan maken, werknemers zullen dat ook merken. Vaak is het zo dat als de winsten echt veel stijgen werknemers ook een hoger loon gaan eisen.

Goed om te maken: 28 t/m 30

Examenonderdeel: gedeeltelijk







Hoofdstuk 6 par.1

Introductie
Werken en geld verdienen. Werken doe je niet voor niks en geld krijg je niet zomaar. Dat betekent niet dat je duidelijk afspraken moet maken over je werk en je loon. Een voorbeeld van een afspraak kan zijn dat je niet meer dan 36 uur in de week werkt. Of dat je 4 weken vakantie mag opnemen. Wel zo eerlijk als je collega's dat ook krijgen?

Arbeidsovereenkomst
Op dit papiertje staan de afspraken die jij met je wergever hebt gemaakt over je werk. Hoelang je werkt, wanneer je werkt, wat je betaalt krijgt, of je een auto krijgt van de zaak. De afspraken die je maakt zijn onderverdeelt in primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Gelden de afspraken alleen voor jou dan hebben we het over een indivuduele arbeidsvoorwaarden

Primaire arbeidsvoorwaarden
Dit zijn voorwaarden die het belangrijkste zijn voor werkenemers. Denk aan salaris en werktijden.

Secundaire arbeidsvoorwaarden
Dit zijn de wat minder belangrijke zaken, toch zijn ze niet helemaal onbelangrijk. Het kan zijn dat baas 1 je geen auto van de zaak geeft en baas 2 wel. Dan kan dat reden zijn om bij baas 2 te gaan werken. Secundaire afspraken zijn afspraken over vakantie, auto/gsm/laptop van de zaak enz.

CAO (collectieve arbeidsovereenkomst)
Het tegenovergestelde van een individuele arbeidsovereenkomst. Het is wel zo netjes als een buschauffeur in Groningen dezelfde arbeidsvoorwaarden heeft als een chauffeur in Rotterdam. Vandaar dat heel veel beroepen een Collectieve Arbeidsovereenkomst hebben. Je hoeft dan niet meer alle afspraken opnieuw te maken. Die zijn voor bijvoorbeeld alle buschauffeurs/leraren/metaalwerkers/verpleegkundige hetzelfde. Eens in de zoveel tijd wordt de CAO opnieuw bekeken en eventueel bijgesteld. Veel stakingen zijn het gevolg van onvrede die werknemers hebben met de CAO. Door stakingen hopen ze betere voorwaarde (meer loon) te krijgen. Als de bedrijven en vakbonden het eens zijn over de arbeidsvoorwaarden die in de CAO komen dan zal de minsiter van Sociale zaken en Werkgelegenheid de CAO algemeen bindend verklaren. Alle bedrijven in de bedrijfstak waar het over gaat (bijvoorbeeld buschauffeurs) moeten de CAO gebruiken. Ze mogen daar niet van afwijken.

Een vakbond is een organisatie die opkomt voor de belangen van de werkenmers. Zij voeren de gesprekken met de bedrijven over de arbeidsvoorwaarden. De vakbonden leiden ook vaak de stakingen. Op die manier kunnen ze druk achter de ketel zetten.

Bedrijfstak is een benaming voor een groep mensen die hetzelfde doen. De bedrijfstak van boekhouders of de bedrijfstak van proces operators.

Proeftijd
Als je aan een nieuwe baan begint dan heb je recht op een proeftijd. Als je arbeidsovereenkomst geen einddatum kent (vaste baan) dan is de proeftijd maximaal 2 maanden. Staat er wel een einddatum op de arbeidsovereenkomst (tijdelijke baan) dan kan het minder dan twee maanden zijn. Zowel de werknemer als de werkgever kan tijdens de proeftijd zonder reden de overeenkomst beeindigen. Een proeftijd is een goede manier om even aan elkaar te wennen.

Contract voor bepaalde tijd
Op je contract staat dat het na een jaar niet meer geldig is. Na een jaar zou je dus weer weg moeten, tenzij je contract weer verlengd wordt. Bedrijven mogen over het algemeen niet vaker dan 3 keer verlengen, daarna moet je een contract voor onbepaalde tijd krijgen.

Contract voor onbepaalde tijd
Op je contract staat geen einddatum, je bent dus "eeuwig" in dienst. Tenzij je in overleg met je werkgever besluit om ontslag te nemen. Ook als blijkt dat je bijvoorbeeld steelt kan het contract alsnog verbroken worden. Meestal krijg je eerst één of twee contracten voor bepaalde tijd, voordat je er één voor onbepaalde tijd krijgt.

Arbeidsmotieven
Behalve salaris zijn er andere redenen om te werken. Meedoen in de maatschapij, bezig zijn, sociale contacten, jezelf ontplooien. Een gedeelte van dat werk zou je wel ook doen als je er niet voor betaalt krijgt (vrijwilligerswerk). Dit zijn voorbeelden van arbeidsmotieven.

Formele en informele sector
Iemand die werkt en geregisteerd is bij de overheid daarvoor werkt in de formele sector. Mensen die vrijwilligerswerk doen werken in de informele sector. Ook zwart werk valt in de informele sector. Deze mensen betalen geen belasting en premies.

Arbeidsinspectie, Arbeidstijdenwet, Arbeidsomstandighedenwet (ARBO)
Deze instantie (arbeidsinspectie) kijkt goed of bedrijven zich houden aan de wetten die gemaakt zijn om werken leuk en gezond te houden. Ze kijken onder andere naar de arbeidstijdenwet en de arbeidsomstandighedenwet. De arbeidstijdenwet geeft aan hoelang iemand mag werken en wanneer er een pauze moet zijn. De arbeidsomstandigheden wet heeft regels die gaan over de gezondheid van werkenmers, goede stoel, geen rokende collega's, voldoende daglicht enz.

De hele discussie tegen roken in de horeca is een voorbeeld van de ARBO wet. Mensen denken dat het verbod er komt omdat klanten in de horeca er last van hebben, maar daar is het verbod niet voor. Het gaat om personeel in restaurants die ongevraagd meeroken. Dit is slecht voor de mens, vandaar dat men een verbod wil.

Goed om te maken: alle opdrachten

Examenstof: JA!

Hoofdstuk 6 par.2

Introductie
Werken kan op verschillende manieren, de laatste jaren is het steeds gebruikelijker om flexibel te werken. Vroeger deed je wat je vader deed, tegenwoordig kan je doen wat je leuk vind.

Flexibel werken
Hieronder valt deeltijdwerk (halve baan bijvoorbeeld), tijdelijk werk (uitzendbureau) of wisselende werktijden (oproepdienst). Voor werkgevers is dit gunstig, ze kunnen mensen inzetten als ze echt nodig zijn. Voor werknemers is het ook gunstig omdat ze werken op het moment dat het hen uitkomt.

Arbeidsverdeling en specialisatie
Verschillende mensen doen verschillend werk, meestal hebben ze daar bewust voor gekozen. Dit noemen we arbeidsverdeling. Door arbeidsverdeling gaan mensen zich specialiseren. Een kok in een restaurant en een ober in hetzelfde restaurant hebben de arbeidverdeelt. Hij kookt en de ander bedient. Specialisatie hebben ze ook, de ene ober weet misschien meer van wijn dan de ander. De ene kok is goed in visgerechten, de ander staat bekend om zijn italiaanse kookkunsten.

Misschien niet het meest leuke voorbeeld van specialisatie, maar onderwijs is er wel één. Binnen de school zijn alle docenten docent. Daar hebben ze voor gekozen, maar ze hebben allemaal een andere specialisatie, de één wiskunde, de ander engels en de laatste duits.

Arbeidsproductiviteit en scholing (apt)
Het aantal producten wat een werknemer binnen een bepaalde tijd maakt is de apt. Dit kan je verhogen door scholing, je maakt dan meer en dat is gunstig voor het bedrijf. Er is wel een kanttekening, de scholing kost geld. Je moet als bedrijf dus nadenken of het verhogen van de apt wel opweegt tegen de kosten voor de scholinig.



Hoofdstuk 6 par.3

Introductie
De arbeidsmarkt is eigenlijk net de markt op zaterdag. Er is vraag en aanbod, mensen staan bij de ene kraam in de rij, en bij de ander komt zelden iemand. Dat is te vergelijk met de vraag naar mensen en het aanbod van kwaliteiten.

Arbeidsmarkt
De baas die een ICT'er zoekt is de vrager, de ICT'er is de aanbieder. Klinkt raar? Eerder andersom? Logische gedachte, maar toch is het zo logischer. De baas heeft een ICT'er nodig, als je wat nodig hebt vraag je erom. Die ICT'er heeft een bepaalde kwaliteit die hij aanbiedt. Is het aanbod groter dan de vraag dan is sprake van werkloosheid. Is het aanbod lager dan de vraag dan is er krapte op de arbeidsmarkt.

Beroepsbevolking
Wanneer hoor je erbij, bij de werkende mensen van Nederland? Je hoeft niet eens echt te werken, er serieus naar opzoek zijn is al heel wat. Je moet voldoen aan de volgende eisen om bij de beroepsbevolking te horen:
- tussen de 15 en de 65 jaar
- minimaal 12 uur per week werken (of dit willen)
Mensen die al 12 uur per week werken zijn de werkzame beroepsbevolking, zo niet dan tot de werkloze beroepsbevolking. Ben je werkloos, dan moet je je inschrijven bij he CWI om een uitkering te kunnen krijgen.

Geregistreerd of verborgen werkloosheid
Sta je ingeschreven bij het CWI voor een baan van minimaal 12 uur per week en ben je tussen de 15 en de 65 jaar dan ben je geregistreerd werkloos. Voldoe je niet aan één van die eisen dan ben je verborgen werkloos. Dat kan een keus zijn, denk aan een huisvrouw of iemand die vroeg met pensioen is gegaan.

Hoofdstuk 7 par.1

Introductie
Je moet verder kijken dan je neus lang is. Wat van ver komt is het lekkerst. Nederland haalt heel veel producten uit het buitenland. Soms omdat het noodzakelijk is, sinasappelen groeien niet in Nederland. Sommige dingen halen we uit het buitenland omdat het beter is dat het daar gemaakt wordt. Nederland heeft geen eigen automerk meer omdat het veel te duur is om Nederlandse mensen daarop te zetten. Andere dingen verkopen we aan het buitenland. Een groot exportproduct van Nederland zijn bloemen.

Nationaal Inkomen
Een Nationaal Inkomen is het totaal van alle inkomens van alle Nederlanders die werken bij elkaar opgeteld. Een stijging van het nationaal inkomen geeft vaak aan dat de economie in een stijgende lijn is.
Export
Wat verkoopt, wat exporteerd Nederland naar het buitenland. Export van goederen: machines en wat daarbij hoort, chemicaliën, brandstoffen, voedselproducten en bloemen.
De belangrijkste landen waar Nederland aan levert zijn: Duitsland 25%, België 12.4%, Groot Britannië 10.1%, Frankrijk 9.9%, Italië 6%, USA 4,3%(2005)
Zie Nederland als bedrijf wat spullen verkoopt aan het buitenland (de andere bedrijven).

Import
Nederland koopt ook spullen, net als een bedrijf dat doet. Nederland koopt vooral, chemicaliën, ICT zaken en voedingsmiddelen in, dit heet import.

Betalingsbalans
Als Nederland een bedrijf is, dan is de overheid de directie en zijn de bedrijven die de producten importeren of exporteren de werknemers. De overheid wil graag een overzicht van de goederen of diensten die ze 'verkopen' en 'inkopen'. Dit zet de overheid op een betalingsbalans.

Handelsbalans
Je ziet dat de betalingsbalans verdeelt is in twee stukken. Export en Import. Daarna zie je de verdeling in Handelsbalans en Dienstenbalans. De handelsbalans is het totaal van goederen, bijvoorbeeld bloemen en aardgas. De handelsbalans heet ook wel goederenbalans.

Dienstenbalans
Behalve goederen kan het ook zo zijn dat er diensten geëxporteerd en geimporteerd worden. Die worden apart genoemd op de dienstenbalans.

Tekort of overschot
Zoals bij elk bedrijf wil ik graag winst maken. Nederland wil graag meer export dan import hebben. Als zoals in dit voorbeeld de export groter is dan de import dan is er een overschot op de betalingsbalans. Is het omgekeerd, meer import dan export, dan is er een tekort op de betalingsbalans.

Hoofdstuk 6 par.4


Introductie

Wat als je geen werk kan vinden. In een eerder hoofdstuk hebben we het gehad over ww uitkeringen en de eisen daarvoor. In deze paragraaf gaan er verder op in.


Reorganisatie en stakingen
Als een bedrijf bestluit te gaan reorganiseren wil dat zeggen dat ze eens goed gaan kijken welke functies er weg kunnen. Ze redden het ook wel zonder de afdeling "klantenadministratie' dat kan de afdeling boekhouden er wel bij doen. Dat betekent dat de mensen van de klantenadministratie geen werk meer hebben. Het kan ook zijn dat het bedrijf besluit een deel van de productie naar een ander land te brengen, daar werken de mensen net zo hard voor minder loon. Lees de situatie met Unilever. Als de vakbond en de werknemers het er niet mee eens zijn kunnen ze gaan staken. Vooraf kondigen ze vaak aan dat als er niet aan de eisen wordt voldaan er gestaakt wordt. Het doel van een staking is om het bedrijf stil te leggen, zodat er geen winst kan worden gemaakt. Wilde stakingen zijn stakingen die niet aangekondigd zijn en waar de vakbonden vaak niet achter staan. Werknemers riskeren dan dat ze voor de gestaakte dag geen loon krijgen. Door middel van staken proberen werknemers ook de maatschapij mee te krijgen en op die manier meer steun te vinden.




ATV (Arbeids Tijd Verkorting)
Als werknemers in plaats van 38 uur in de week 36 uur in de week gaan weken is er sprake van ATV. Ook kan het zijn dat een bedrijf ervoor kiest om op één baan twee mensen te zetten met elke een halve baan. Dit is een vorm van herverdeling en heeft mede als doel de werkloosheid te verkleinen. Als er per week 2 uur minder gewerkt wordt door 18 mensen hebt je 36 uur per week over. Daar kan je weer iemand voor aannemen. Ook het omscholen/bijscholen van mensen kan de werkloosheid verminderen. Eventuele hulp bij solicatie (cursussen) en het adviseren van mensen over hun beroepskeuze draagt daaraan bij.


Arbeidsparticipatie
Dit is het deel van de bevolking in een bepaalde leefdtijdsgroep wat tot de beroepsbevolking behoort. De laatste jaren is de arbeidsparticipatie onder ouderen steeds meer gestegen. Dit komt door de vergrijzing. Als er gesproken wordt over een stijging van de arbeidsparticipatie onder vrouwen, betekent dit dat er méér vrouwen zijn gaan werken.


Let op, het maakt voor de arbeidsparticipatie niet uit hoeveel iemand werkt, als de werkende vrouwen meer uren zijn gaan maken, blijft de arbeidsparticipatie gelijk.




Verrijking 2 par.1

Introductie
Niet iedereen verdient evenveel. De één is beter opgeleid en verdient meer, de ander kiest er bewust voor een baan te nemen waarbij hij niet zoveel verdient, maar wel mensen helpt. De overheid heeft het liefst dat er een eerlijke verdeling is van inkomen. De persoon die mensen helpt voor een klein salaris is net zo belangrijk als de manager die ervoor zorgt dat er producten in het schap liggen.

Inkomensverschillen
Hoe ontstaan inkomensverschillen? Er zijn een aantal redenen waarom iemand meer of minder verdient dan de ander:
1. Overheid of Bedrijfsleven, de laatste heeft vaak een beter salaris te bieden
2. Opleiding, hogere opleiding betekent sneller een hoger salaris
3. Ervaring/leeftij, als je ouder wordt ga je meer verdienen omdat je beter wordt in het werk
4. Sector, in de ICT verdien je meer dan in de vervoerssector omdat er meer vraag is naar ICT mensen.
5. Verantwoordelijkheid, een piloot van een groot vliegtuig verdient meer dan de piloot van een klein vliegtuig, hij heeft de verantwoordelijkheid over meer mensen.

Progressief belastingstelsel
Progressie wil zeggen dat het sterker stijgt naarmate je verder komt. In dit geval betekent het dat als je meer verdient je in verhouding meer betaalt. Dat wil zeggen dat als je meer verdient je een hoger percentage belasting betaalt en als je minder verdient je een lager percentage betaalt.
Die 1000 euro die de 'rijke' meer betaald, kan de 'arme' minder betalen.
Let op: als er gevraagd wordt wat het progressief belastingstelsel inhoudt zeg dan niet dan te rijke meer moet betalen dan de arme. Dat doet hij namelijk altijd al. Het gaat erom dat hij niet alleen meer betaalt maar ook een hoger percentage krijgt. De 'arme' betaalt 30% de 'rijke' 45%.

Nivellering van inkomens
De overheid kan mensen niet verbieden teveel te verdienen, ook kunnen ze bedrijven niet verplichten mensen meer te laten verdienen. Wat de overheid wel kan doen is met de belastingpercentages spelen. Bruto kunnen de verschillen groot zijn, netto niet
Nivelleren: beide inkomens krijgen er 1000 bij.
Denivelleren: beide inkomens krijgen 1000 euro minder
Geen van beide: beide krijgen er een percentage bij

Goed om te maken: zie studiewijzer
Examenstof: zeker weten!



Verrijking 2 par.2

Introductie
Joepie de poepie, een salarisverhoging van 3%. Eindelijk wat ruimer in mijn geld. Toch voelt het niet alsof ik 3% overhou elke maand. Hoe kan dat?

Nominaal Inkomen
Het inkomen in geld wat je krijgt zonder rekening te houden met koopkracht is je nominaal inkomen.

Inflatie
Je hebt geleerd dat inflatie prijsstijging is. De prijzen stijgen bijna altijd. Dit komt omdat de economie groeit, het ene jaar veel het andere jaar weinig. Als mensen meer gaan kopen, worden er meer producten gekocht, bedrijven moeten meer maken hebben dus meer werknemers nodig, hierdoor gaan meer mensen in Nederland geld verdienen en dat weer uitgeven, je bent dan weer aan het begin van het verhaal dat mensen meer gaan kopen.

Consumentenprijsindexcijfer
Niet alle prijzen stijgen even hard. De prijs van brood en melk is dit jaar pas voor het eerst echt gestegen. Het zijn vooral luxe artikelen die duurder worden. De Consumenten Prijs Index (CPI) is een overzicht van het CBS met de prijsontwikkeling van de goederen en diensen in Nederland. Producten die nogal vaak gekocht worden tellen zwaarder mee en producten die minder gekocht worden tellen minder zwaar mee.

Reeële inkomen
Ik verdien dus 3% meer dan vorig jaar, mijn nominale inkomen is dus gestegen. Maar nu ga ik kijken wat de inflatie is. Stel dat deze 3,5% is. Dan ben ik met mijn 3% verhoging dus nog niet genoeg opgeschoten ik kom nog een halve procent te kort om in ieder geval dezelfde koopkracht te houden. Mijn nominale inkomen - inflatie is het reeële inkomen.

Prijscompensatie
In een CAO proberen vakbonden daarom altijd een prijscompensatie af te spreken. Je krijgt dan in ieder geval elk jaar een percentage erbij wat in de buurt komt van de inflatie en dan gaan ze daarna eens kijken wat je extra krijgt.

Loon-prijs spiraal
Als de prijzen stijgen, maar mensen blijven ook elke keer meer verdienen blijven de prijze stijgen. Als je als winkelier je prijzen met 3% verhoogd en je merkt dat er nauwelijks minder wordt gekocht daardoor kan je makkelijk nog eens met een paar % verhogen. Dit heet de loon prijs spiraal.

Geimporteerde inflatie
Nederland is een handelsland, veel producten en diensten gaan naar het buitenland, het kan zijn dat er in Nederland zelf niet eens zoveel meer vraag naar producten is (mensen kopen niet meer dan normaal) maar dat het buitenland wel flink aan het shoppen is in Nederland, dit kan er dan voor zorgen dan prijzen omhoog gaan. Dit is dan geimporteerde inflatie.

Europese centrale bank (ECB)
Als de inflatie in europa te hard gaat, dan kan de ECB een trucje uithalen waardoor de inflatie minder hard gaat, namelijk de rente verhogen. Als de rente hoog is gebeuren er twee dingen:
1. Mensen gaan eerder sparen dan uitgeven omdat ze een hogere rente krijgen
2. Bedrijven wachten dure investeringen waarvoor ze leningen moeten afsluiten omdat ze een te hoge rente moeten betalen
Op die manier rem je de economie dus een beetje. Omgekeerd kan ook, door de rente te verlagen stimuleer je de economie. Hier moet men wel mee oppassen omdat andere factoren ook de economie opeens kunnen oppeppen.

goed om te maken: zie studiewijzer
examenonderdeel: ja zeker weten

Hoofdstuk 7 par.2

Introductie
Een groot aantal landen heeft de afspraak te doen alsof ze één zijn. Deze landen horen bij de EU, de Europese Unie. In de volgende paragrafen moet je niet naar Nederland kijken maar naar de EU als één land.

Concurrentiepositie
Landen zijn elkaars concurrenten, als je als fabrikant het beter in de VS kan kopen dan in Europa, dan is dat slecht voor Europa. Inflatie maakt de prijs van producten hoger. Landen met een lage inflatie hebben een beter concurrentiepositie.

Protectionisme
Omdat het buiten de EU vaak goedkoper is producten te kopen en omdat het niet altijd producten zijn die voldoen aan de Europese eisen en wetten beschermd de EU haar eigen bedrijven. Want als je in China spotgoedkoop t-shirts kan kopen dan is er een kans dat die t-shirt boer in Europa daardoor failliet gaat. Er zijn drie vormen van protectionisme

1. Invoerrechten
Als je producten uit het buitenland haalt dan moet je een extra belasting betalen om ze in de EU te kunnen verkopen. Dit zorgt ervoor dat mensen minder snel uit het buitenland kopen.

2. Subsidies
Stel je wil bloembollen naar Rusland verkopen/exporteren. Je kan ze daar kwijt voor 0,80 euro. In Nederland verkoop je ze voor 1,00 euro. Waarom zou je ze naar Rusland exporteren dan? Omdat de overheid graag wil exporteren kan het zo gebeuren dat je met de overheid kan afspreken dat ze jou het verschil betalen, die 0,20 euro. Dat is een exportsubsidie

3. Continentering